ECLI:NL:RBAMS:2021:5826

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 oktober 2021
Publicatiedatum
14 oktober 2021
Zaaknummer
13/751774-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer verdedigingsrechten en detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 oktober 2021 de vordering van de officier van justitie tot overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De verdachte werd verdacht van oplichting en verduistering en er waren twee vonnissen die tot overlevering leidden: een straf van twee jaar en een straf van acht maanden, waarvan nog zeven maanden en 29 dagen resteren.

De verdediging voerde aan dat de verdedigingsrechten van de verdachte waren geschonden, omdat hij niet persoonlijk aanwezig was bij de zitting die leidde tot het tweede vonnis en niet op de hoogte was gesteld van de procedure. De rechtbank oordeelde echter dat de verdachte tijdens het vooronderzoek was gehoord, bekend was met de procedure en dat hij stilzwijgend afstand had gedaan van zijn recht om persoonlijk te verschijnen. Daarom zag de rechtbank geen reden om de overlevering te weigeren op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro.

Daarnaast stelde de verdediging dat de detentieomstandigheden in Polen onmenselijk en vernederend zouden zijn, mede vanwege eerdere ervaringen van de verdachte met detentie in Polen. De rechtbank concludeerde op basis van beschikbare gegevens en eerdere uitspraken dat er geen objectief bewijs was voor een reëel gevaar van schending van mensenrechten in Poolse gevangenissen en wees dit verweer af.

Gelet op het voldoen aan de wettelijke eisen en het ontbreken van geldige weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks bezwaren over verdedigingsrechten en detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751774-21
RK nummer: 21/4495
Datum uitspraak: 7 oktober 2021
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 augustus 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 juni 2021 door
the Circuit Court in Katowice, V Penal Division
(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[naam opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres]
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 augustus 2021. Het verhoor heeft via een videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman mr. S. de Goede, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor bepaalde tijd aangehouden teneinde de raadsman voldoende voorbereidingstijd te geven.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat op de openbare zitting van 23 september 2021. Het verhoor heeft via een videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman mr. S. de Goede, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van twee voor tenuitvoerlegging vatbare vonnissen:
  • Judgment of the Katowice-Zachód District Court in Katowicevan 21 januari 2015, onherroepelijk geworden op 29 januari 2015, referentienummer: III K 507/12 (hierna:
    vonnis I);
  • Judgment of the District Court in Kaliszvan 16 oktober 2018, onherroepelijk geworden op 24 oktober 2018, referentienummer II K 550/18
    (hierna:
    vonnis II).
Ten aanzien van vonnis I wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Ten aanzien van vonnis II wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren nog zeven maanden en negentwintig dagen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
Ten aanzien van vonnis I
De advocaat heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon wel aanwezig is geweest bij de zitting van 21 januari 2015, waar de straf voorwaardelijk is opgelegd. Hij is echter niet aanwezig geweest bij of op de hoogte gesteld van de zitting van 30 januari 2018, waarbij de straf is omgezet in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dit is een schending van zijn verdedigingsrechten en de overlevering moet worden geweigerd.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het verweer van de advocaat niet slaagt.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de zitting van 21 januari 2015 de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Derhalve is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing op dat vonnis. Met betrekking tot de omzetting van de straf wijst de rechtbank op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 december 2017 in de zaak Ardic. [1] Daaruit blijkt dat een beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf niet valt onder de reikwijdte van artikel 4 bis Pro Kaderbesluit 2002/584/JBZ, voor zover een dergelijke beslissing geen wijziging brengt of kan brengen in de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf. Uit de stukken is niet gebleken dat de tenuitvoerlegging een wijziging in de aard of de maat van de aan de opgeëiste persoon opgelegde straf heeft gebracht of had kunnen brengen. Derhalve gelden de vereisten van artikel 12 OLW Pro niet voor de omzettingsprocedure. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dus ook geen aanleiding om het onderzoek ter zitting te schorsen voor het stellen van nadere vragen over de omzettingsprocedure.
4.2
Ten aanzien van vonnis II
4.2.1
Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro. De opgeëiste persoon is niet in persoon
verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, terwijl zich ook niet één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. De opgeëiste persoon was niet op de hoogte van de procedures die hebben geleid tot het vonnis. Tijdens zijn verhoor heeft hij het adres opgegeven van zijn toenmalige partner bij wie hij woonde in Polen. Later zijn zij uit elkaar gegaan en is hij naar Nederland vertrokken waardoor hij geen officiële correspondentie over (het vervolg van) die procedure heeft kunnen ontvangen. De opgeëiste persoon geeft aan dat hij niet op de hoogte is gesteld tijdens het verhoor dat hij adreswijzigingen diende door te geven en dat hij niet wist dat er na het verhoor een procedure zou volgen. Hierdoor zijn de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon geschonden. Primair dient de overlevering te worden geweigerd. Subsidiair vraagt de raadsman om aanhouding om nadere informatie te vergaren over het op de hoogste stellen van de opgeëiste persoon met betrekking tot zijn verdedigingsrechten.
4.2.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van vonnis II op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon het feit heeft bekend. De opgeëiste persoon wist dus van het bestaan van de strafzaak. Hij heeft daarnaast in het kader van de
preparatory proceedingsop 24 december 2017 zijn adres aan de Poolse autoriteiten moeten verstrekken en hem is meegedeeld wat, in het kader van de procedure, de juridische gevolgen zouden zijn als hij van adres zou wisselen zonder de autoriteiten hiervan op de hoogte te stellen. Hij heeft er echter voor gekozen om niet deel te nemen aan de procedure en daarmee stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om in persoon ter zitting te verschijnen. Dat betekent dat de rechtbank kan afzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro. De officier van justitie verwijst in dit verband naar vergelijkbare zaken waarin de rechtbank Amsterdam op 15 april 2021 [2] en 18 juni 2021 [3] uitspraak heeft gedaan.
4.2.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt.
Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 24 december 2017 is verhoord in het vooronderzoek, waarbij hij een bekennende verklaring heeft afgelegd, en dat hij tijdens dit verhoor is geïnformeerd over het feit dat hij elke adreswijzing aan de autoriteiten door moest geven en over de consequenties van het niet doorgeven van adreswijzigingen. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht, alsmede dat hij er rekening mee moest houden dat er een vervolging tegen hem zou worden ingesteld en dat hij daarover officiële correspondentie zou ontvangen. De opgeëiste persoon heeft er desondanks voor gekozen naar Nederland te vertrekken zonder dit aan de Poolse autoriteiten te laten weten. Evenmin heeft hij na beëindiging van zijn relatie een ander adres in Polen doorgegeven waarop hij bereikbaar was voor oproepingen van justitiële instanties.
Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert, omdat hij, zo hij al niet door zijn handelwijze stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding om het onderzoek ter zitting te schorsen voor het stellen van nadere vragen. Het verweer wordt verworpen.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
Oplichting;
Verduistering

6.Artikel 11; detentieomstandigheden in Polen

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de opgeëiste persoon betoogd dat er een kans is dat er voor de opgeëiste persoon in Polen een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling zal zijn en dat moet worden afgezien van overlevering op grond van artikel 11 OLW Pro en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (
hierna: Handvest). De opgeëiste persoon heeft gesteld dat hij in 2009 samen met oud-werknemers een melding heeft gedaan bij de politie inzake een misbruikschandaal met jonge vrouwen waar personen betrokken zouden zijn met hoge posities in Polen. De opgeëiste persoon is naar aanleiding van zijn verklaring opgepakt en heeft negen maanden doorgebracht in detentie in Polen. Enkele personen die ook verklaard hadden in de bovengenoemde zaak zouden toen op onverklaarbare wijze zijn overleden in of buiten gevangenissen in Polen. De opgeëiste persoon zat eerder in Polen gedetineerd en gaf aan dat er toen al sprake was van onmenselijke of vernederende behandelingen tegen de groep die aangifte had gedaan. De opgeëiste persoon vreest dat de Poolse autoriteiten hem geen bescherming kunnen bieden tegen eventueel geweld in detentie. De opgeëiste persoon heeft gesteld dat hij zich ernstige zorgen maakt over de detentieomstandigheden in Polen en dat hij bang is als gevolg daarvan in een Poolse gevangenis te overlijden.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen algemeen reëel gevaar voor mensenrechtenschendingen bestaat in Poolse detentie-instellingen. Daarnaast is er geen objectieve, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte informatie beschikbaar waaruit blijkt dat personen die betrokken waren bij bovengenoemde zaak in Polen gevaar lopen in Poolse detentie-instellingen. Zonder nadere onderbouwing door de raadsman bestaat geen aanleiding de zaak aan te houden om nadere informatie omtrent deze situatie te verkrijgen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank begrijpt het verweer van de opgeëiste persoon aldus dat hij heeft willen betogen dat gedetineerden in penitentiaire inrichtingen in Polen - in het bijzonder gedetineerden die in verband kunnen worden gebracht met bovengenoemde zaak - gedurende de detentieperiode in Polen een reëel gevaar lopen van een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest.
De rechtbank hanteert bij de toetsing van het verweer het kader, zoals dat is gegeven door het Hof in het arrest van 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru). De rechtbank heeft eerder naar aanleiding van overleveringsverzoeken uit Polen de detentieomstandigheden aldaar beoordeeld, waarbij, onder meer in haar uitspraak van 22 oktober 2018 [4] is vastgesteld dat uit de beschikbare gegevens over de algemene detentieomstandigheden in Polen niet blijkt van een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest. Verder zijn op dit moment geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over detentieomstandigheden in Polen door de raadsman naar voren gebracht – of bij de rechtbank ambtshalve bekend – die duiden op een algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de detentieomstandigheden geen beletsel vormen voor het toestaan van de overlevering, noch aanleiding geven tot het stellen van nadere vragen daarover aan de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit.
Het verweer wordt verworpen.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 321 en 326 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[naam opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Katowice, V Penal Division(Polen).
Aldus gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. P. van Kesteren en H.G. van der Wilt , rechters,
in tegenwoordigheid van K. Spanjaart en F.A. Potters, griffiers,
en uitgesproken ter openbare zitting van 7 oktober 2021.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.