ECLI:NL:RBAMS:2021:5882

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 oktober 2021
Publicatiedatum
18 oktober 2021
Zaaknummer
13.752089-21
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Overleveringswet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting overleveringsdetentie na rechterlijke toetsing Europees Aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam heeft op 6 oktober 2021 uitspraak gedaan over de voortzetting van de overleveringsdetentie van een opgeëiste persoon die op 30 september 2021 werd aangehouden op grond van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) van de autoriteiten van Polen.

Tijdens het verhoor bij de officier van justitie werd de advocaat van de opgeëiste persoon geïnformeerd over de gewijzigde procedure waarbij de rechterlijke toetsing van het bevel tot inverzekeringstelling voortaan buiten zitting plaatsvindt. De advocaat heeft geen schriftelijk gemotiveerd verzoek tot opheffing van de inverzekeringstelling ingediend.

De rechtbank heeft de inhoud van het EAB en het dossier beoordeeld en concludeerde dat er vluchtgevaar bestaat en dat er geen gronden zijn om het bevel tot inverzekeringstelling op te heffen. De overleveringsdetentie wordt daarom voortgezet tot het moment waarop de rechtbank een beslissing neemt over de gevangenhouding.

De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 21 van Pro de Overleveringswet en benadrukt het belang van een spoedige rechterlijke toetsing na aanhouding in het kader van internationale rechtshulp.

Uitkomst: De rechtbank besloot de overleveringsdetentie voort te zetten en het bevel tot inverzekeringstelling niet op te heffen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.752089-21
RK nummer: 21/5370
BESLISSING
De autoriteiten van Polen hebben om overlevering verzocht van de opgeëiste persoon:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985
zonder vaste- woon of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] .
De opgeëiste persoon is op 30 september 2021 aangehouden op grond van een Europees Aanhoudingsbevel. De rechtbank heeft kennis genomen van het dossier, waaronder het
Bevel tot inverzekeringstelling en voortzetting inverzekeringstellingvan 1 oktober 2021 van de officier van justitie en het proces-verbaal van verhoor van de opgeëiste persoon bij de officier van justitie van diezelfde datum.
De rechtbank verwijst naar haar beslissing van 25 november 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:5778), waarin onder meer als volgt is overwogen:
Om te verzekeren dat, los van een verzoek om opheffing, steeds spoedig na de aanhouding een rechterlijke toets plaatsvindt of de overleveringsdetentie wordt voortgezet, legt de rechtbank artikel 21, negende lid, OLW zo uit, dat zij verplicht is om steeds kort na het bevel tot inverzekeringstelling als bedoeld in artikel 21, achtste lid, OLW ambtshalve gebruik te maken van de bevoegdheid om te beoordelen en te beslissen of dat bevel gehandhaafd blijft.
Deze rechterlijke toetsing vindt thans, korte tijd na het bevel tot inverzekeringstelling en dus spoedig na de aanhouding, plaats.
Tijdens het verhoor bij de officier van justitie is aan de advocaat van de opgeëiste persoon een brief verstrekt van de voorzitter van de Internationale Rechtshulp Kamer. In deze brief is onder andere vermeld dat de rechterlijke toetsing van de door de officier van justitie bevolen inverzekeringstelling voortaan, anders dan voorheen, buiten zitting plaatsvindt. Ook is gewezen op de mogelijkheid om – als de advocaat van oordeel is dat de beslissing tot inverzekeringstelling van de officier van justitie in het kader van deze toetsing moet worden opgeheven – dit schriftelijk en gemotiveerd kenbaar te maken. In onderhavige zaak heeft de advocaat hiervan geen gebruik gemaakt.
In voornoemde brief is benadrukt dat bij onderhavige (beperkte) rechterlijke toets enkel wordt onderzocht of de overleveringsdetentie al dan niet moet worden opgeheven. Inhoudelijke verweren aangaande het EAB kunnen tijdens de inhoudelijke (meervoudige) behandeling worden gevoerd. Voorts is meegedeeld dat – los van onderhavige toets – te allen tijde op de gebruikelijke wijze, schriftelijk, gemotiveerd en met stukken onderbouwd een verzoek tot opheffing en/of schorsing van de overleveringsdetentie bij de rechtbank kan worden ingediend, waarna dit verzoek zo spoedig mogelijk zal worden gepland en behandeld op één van de raadkamerzittingen van de Internationale Rechtshulp Kamer.
De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van het EAB. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit (enig) vluchtgevaar. Overigens ziet de rechtbank geen grond voor opheffing van het bevel tot inverzekeringstelling.
De rechtbank is op grond van bovengenoemde stukken en de aangehaalde jurisprudentie van oordeel dat de overleveringsdetentie dient te worden voortgezet.
Gelet op artikel 21 van Pro de Overleveringswet.

BESLISSING:

De rechtbank beslist:

- dat het bevel tot inverzekeringstelling niet wordt opgeheven en de overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon]wordt voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding beslist.
Deze beslissing is genomen op 6 oktober 2021 door:
mr. O.P.M. Fruytier, rechter,
in tegenwoordigheid van J.H. Beudeker, griffier.