ECLI:NL:RBAMS:2021:5994
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Weigering toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid
Verzoeker heeft bij verweerder, de korpschef van politie Amsterdam, toestemming gevraagd om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Verweerder heeft deze toestemming onthouden op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr), vanwege een onherroepelijke veroordeling van verzoeker in 2018 wegens poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen.
Verzoeker betoogde dat hij sinds die veroordeling zijn leven positief heeft veranderd, geen recidive heeft gepleegd, en een opleiding tot beveiliger volgt, waardoor de terugkijktermijn van acht jaar niet onevenredig zou moeten worden toegepast. Verweerder stelde dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligers boven iedere twijfel verheven moeten zijn en dat de terugkijktermijn terecht is gehanteerd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat verzoeker niet betrouwbaar genoeg is voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden. De aard van het strafbare feit en de korte periode sinds de veroordeling rechtvaardigen het niet afwijken van de terugkijktermijn. Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om verzoeker geen toestemming te verlenen voor beveiligingswerkzaamheden is ongegrond verklaard.