ECLI:NL:RVS:2019:1871
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toestemming werkzaamheden particuliere beveiliging wegens onvoldoende betrouwbaarheid na aantreffen hennepkwekerij
Appellant kreeg toestemming om werkzaamheden te verrichten voor drie particuliere beveiligingsorganisaties. Deze toestemming werd op 4 juli 2017 door de korpschef ingetrokken vanwege justitiële gegevens die verband hielden met het aantreffen van een hennepkwekerij in de door appellant gehuurde woning.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat er een ernstig vermoeden bestond van betrokkenheid van appellant bij de hennepkwekerij, waardoor zijn betrouwbaarheid niet meer boven elke twijfel verheven was. De onschuldpresumptie werd niet geschonden omdat het hier ging om een vermoeden.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij de woning had onderverhuurd en niets van de hennepkwekerij wist, en dat de betrouwbaarheidseis zwaarder is dan een vermoeden. De Raad van State oordeelde echter dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de hennepkwekerij niet aan hem kon worden toegerekend, mede omdat hij hoofdhuurder was en eerdere justitiële registraties op hem betrekking hadden.
De korpschef had beoordelingsruimte en mocht de betrouwbaarheidseis strikt hanteren gezien de aard van de beveiligingsbranche. De belangenafweging was zorgvuldig en het belang van de samenleving bij handhaving van betrouwbaarheid woog zwaarder dan het belang van appellant bij behoud van zijn werk. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de toestemming bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de toestemming voor werkzaamheden in de particuliere beveiligingsbranche wordt bevestigd wegens onvoldoende betrouwbaarheid van appellant.