Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 januari 2021 in de zaak tussen
[verzoeker] , te Amsterdam, verzoeker(gemachtigde: mr. J.H. Tonino),
(gemachtigde: mr. L. Groeneveld).
Rechtbank Amsterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen tegen het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, met het doel om binnen twee weken op zijn bezwaar te beslissen en binnen één week na die beslissing aanvullende inzage te krijgen in zijn verwerkte persoonsgegevens op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
De voorzieningenrechter heeft tijdens de zitting op 14 januari 2021 beoordeeld of er sprake was van onverwijlde spoed die een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Verzoeker stelde dat hij spoedeisend belang had vanwege lopende trajecten en procedures, waaronder een mogelijke kort geding over een erfpachtkwestie.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het spoedeisend belang onvoldoende concreet was onderbouwd. Er was onvoldoende gemotiveerd waarom verzoeker niet kon wachten op de beslissing op bezwaar. De enkele stelling dat het te veel tijd kost om de bezwaarprocedure af te wachten, was onvoldoende om spoedeisendheid aan te nemen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter E.J. Otten en griffier F.P. van Straelen op 20 januari 2021 en is niet vatbaar voor hoger beroep.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.