Eiser heeft een aanvraag voor algemene bijstand ingediend met een verzoek tot toekenning vanaf 1 april 2020, terwijl het college bijstand heeft toegekend vanaf 28 juli 2020. Eiser verbleef vanaf februari 2020 in Tunesië voor familiebezoek en kon door de coronapandemie pas op 21 juli 2020 terugkeren, waardoor hij niet eerder een aanvraag kon indienen.
De rechtbank stelt vast dat eiser zich pas op 28 juli 2020 bij het college heeft gemeld en dat volgens vaste rechtspraak bijstand niet eerder kan worden toegekend dan de datum van melding. Hoewel eiser stelt dat hij vanuit Tunesië niet in staat was zich digitaal of anderszins te melden, acht de rechtbank dit niet aannemelijk zonder nadere onderbouwing.
De rechtbank oordeelt dat de onvoorzienbaarheid van corona een criterium is voor bijzondere bijstand, maar niet voor algemene bijstand met terugwerkende kracht. Het college heeft dan ook terecht het bezwaar ongegrond verklaard en de bijstand niet met terugwerkende kracht toegekend.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.