ECLI:NL:RBAMS:2021:6181

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 oktober 2021
Publicatiedatum
28 oktober 2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 900
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12, tweede lid, AKWWet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheidRegeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen uitzondering woonlandfactor kinderbijslag voor uitgezonden ambtenaren

De zaak betreft een beroep van een uitgezonden rijksambtenaar die bezwaar maakte tegen de toepassing van een woonlandfactor van 40% op haar kinderbijslag, omdat zij en haar gezin feitelijk in Oeganda wonen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had deze factor toegepast omdat de kinderen niet in Nederland wonen, conform het woonlandbeginsel in de sociale zekerheid.

De eiseres stelde dat vanwege haar diplomatieke status zij en haar gezin fictief nog in Nederland wonen en dat er een uitzondering zou moeten gelden voor uitgezonden ambtenaren. Ook voerde zij aan dat de woonlandfactor niet correct werd berekend en dat differentiatie naar regio binnen Oeganda noodzakelijk was vanwege verschillen in kosten van levensonderhoud.

De rechtbank oordeelde dat de woon- en feitelijke verblijfplaats bepalend is voor de toepassing van de woonlandfactor en dat de wetsfictie van verblijf in Nederland niet ziet op deze factor. Er is geen wettelijke uitzondering voor uitgezonden ambtenaren. De berekeningswijze van de woonlandfactor is volgens de rechtbank passend en er wordt geen differentiatie naar regio toegepast. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat er geen bilaterale verdragen tussen Nederland en Oeganda zijn die vergelijkbare situaties regelen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de toepassing van de woonlandfactor van 40%. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van de uitgezonden ambtenaar tegen de toepassing van de woonlandfactor op kinderbijslag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/900

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te Leiden, eiseres (hierna: [eiseres] )

(gemachtigde: F.P.M. Loomans),
en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder (hierna: Svb)

(gemachtigde: mr. A. van der Weerd).

Procesverloop

Op 30 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft de Svb het recht van [eiseres] op kinderbijslag gewijzigd.
Op 20 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard.
[eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de zaak op 25 augustus 2021 behandeld op een zitting met beeld- en geluidverbinding (Skype). [eiseres] en de Svb hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. [eiseres] is in dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Zij is naar Oeganda uitgezonden en staat sinds 24 juli 2020 niet meer in Nederland ingeschreven. Haar man en twee kinderen zijn met haar meegegaan en wonen ook in Oeganda.
2. [eiseres] ontvangt kinderbijslag [1] voor haar twee kinderen. De Svb heeft in het primaire besluit een woonlandfactor van 40% toegepast vanaf het vierde kwartaal van 2020.
3. In het bestreden besluit heeft de Svb het bezwaar van [eiseres] tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. De Svb legt hieraan ten grondslag dat de kinderen woonplaats hebben in Oeganda en dat daarom de toegepaste woonlandfactor correct is.
Het oordeel van de rechtbank
4. Op 1 juli 2012 is in werking getreden de Wet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (Wwsz). Met deze wet is onder meer artikel 12, tweede lid, van de AKW gewijzigd. Hierdoor wordt aan de rechthebbende wiens kind niet in Nederland, een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), dan wel Zwitserland woont, een uitkering verstrekt ter hoogte van een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het (kort samengevat) in Nederland geldende bedrag aan kinderbijslag. Dit percentage is de woonlandfactor.
5. Voor Oeganda is dit percentage voor 2020 vastgesteld op 40 %. [2] Dit percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar het kind woont en dat van Nederland, waarbij dat percentage nooit hoger dan
100 % kan zijn. De woonlandfactor wordt verkregen door uit te gaan van de PPP, de koopkrachtpariteitscijfers van de Wereldbank. Deze cijfers zijn een maat voor het algemene kostenniveau in een land en dus ook voor de gemiddelde bestaanskosten.
6. In geschil is of de Svb terecht vanaf het vierde kwartaal van 2020 een woonlandfactor van 40% heeft toegepast op de kinderbijslag die [eiseres] ontvangt.
Geen inwoners van Oeganda en uitzondering voor uitgezonden rijksambtenaren
7. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het woonlandbeginsel niet van toepassing kan zijn op haar en haar gezin. Zij is een uitgezonden rijksambtenaar en vanwege haar diplomatieke status kunnen zij en haar gezin geen inwoners van Oeganda zijn. [eiseres] en haar gezin zijn fictief nog steeds inwoners van Nederland. [eiseres] voert ook aan dat er een uitzondering moet worden gemaakt op de toepassing van de woonlandfactor voor uitgezonden rijksambtenaren.
8. Niet in geding is dat [eiseres] en haar gezin feitelijk in Oeganda wonen. Voor de toepassing van de woonlandfactor [3] is de woon- en feitelijke verblijfplaats van de kinderen doorslaggevend. [4] De Svb heeft naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit terecht gesteld dat [eiseres] en haar gezin bij wetsfictie geacht worden in Nederland te wonen, zodat zij in Nederland verzekerd zijn gebleven voor de AKW, maar dat deze fictie niet ziet op de toepassing van de woonlandfactor, omdat daarvoor de feitelijke woonplaats bepalend is.
9. De rechtbank volgt [eiseres] ook niet in het standpunt dat voor haar een uitzondering geldt. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om geen uitzondering op het woonlandbeginsel te maken voor uitgezonden ambtenaren en hun gezinsleden. [5]
Berekeningswijze woonlandfactor niet correct en differentiëren binnen Oeganda
10. [eiseres] voert aan dat de berekeningswijze van de woonlandfactor niet correct is en dat de woonlandfactor gedifferentieerd moet worden toegepast in de verschillende regio’s in Oeganda. Het inkomen per inwoner in Oeganda verschilt aanzienlijk. In de hoofdstad ligt het kostenniveau het hoogst en dat is waar [eiseres] met haar gezin woont. De kosten daar zijn vergelijkbaar met de kosten in Nederland.
11. De rechtbank volgt dit standpunt van [eiseres] niet. De Centrale Raad van Beroep heeft eerder al geoordeeld dat de wijze waarop de woonlandfactor wordt vastgesteld een geschikt middel is om het doel van het woonlandbeginsel te bereiken. [6] Bij deze vaststelling vindt geen differentiatie naar regio plaats.
Gelijkheidsbeginsel
12. [eiseres] heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en gewezen op de positie van uitgezonden rijksambtenaren in Tunesië, India, China, Noord-Macedonië en Chili.
13. De rechtbank oordeelt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat het niet gaat om gelijke gevallen. Tussen Nederland en de aangehaalde landen gelden bilaterale verdragen die onder meer zien op het woonlandbeginsel. Nederland en Oeganda hebben daarover geen verdrag gesloten, zodat geen sprake is van gelijke gevallen.
Conclusie
14. De Svb heeft de woonlandfactor van 40% terecht toegepast. Het beroep is ongegrond. [eiseres] krijgt dus geen gelijk. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.M. Mazurel, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2021.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
2.Zie de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012.
3.Als genoemd in artikel 12, tweede lid, van de AKW.
4.Zie ECLI:NL:CRVB:2017:2697, r.o. 4.5.
5.Zie ECLI:NL:CRVB:2017:2697, r.o. 4.6 en Kamerstukken