De zaak betreft een beroep van een uitgezonden rijksambtenaar die bezwaar maakte tegen de toepassing van een woonlandfactor van 40% op haar kinderbijslag, omdat zij en haar gezin feitelijk in Oeganda wonen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had deze factor toegepast omdat de kinderen niet in Nederland wonen, conform het woonlandbeginsel in de sociale zekerheid.
De eiseres stelde dat vanwege haar diplomatieke status zij en haar gezin fictief nog in Nederland wonen en dat er een uitzondering zou moeten gelden voor uitgezonden ambtenaren. Ook voerde zij aan dat de woonlandfactor niet correct werd berekend en dat differentiatie naar regio binnen Oeganda noodzakelijk was vanwege verschillen in kosten van levensonderhoud.
De rechtbank oordeelde dat de woon- en feitelijke verblijfplaats bepalend is voor de toepassing van de woonlandfactor en dat de wetsfictie van verblijf in Nederland niet ziet op deze factor. Er is geen wettelijke uitzondering voor uitgezonden ambtenaren. De berekeningswijze van de woonlandfactor is volgens de rechtbank passend en er wordt geen differentiatie naar regio toegepast. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat er geen bilaterale verdragen tussen Nederland en Oeganda zijn die vergelijkbare situaties regelen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de toepassing van de woonlandfactor van 40%. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.