ECLI:NL:RBAMS:2021:6453
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak oplichting
De officier van justitie diende een vordering in tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €356.500,00, gebaseerd op de verdenking van oplichting. Deze vordering werd gelijktijdig met de strafzaak behandeld.
De strafzaak leidde tot een vrijspraak van de verdachte op 2 augustus 2021 voor de oplichtingsbeschuldigingen. Naar aanleiding hiervan maakte het Openbaar Ministerie op 24 augustus 2021 kenbaar de ontnemingsvordering te willen laten afwijzen. Tijdens de terechtzitting op 22 oktober 2021 verzocht de officier van justitie de rechtbank dan ook de ontnemingsvordering af te wijzen.
De rechtbank overwoog dat het ontnemingsbedrag was gebaseerd op het rapport van 11 september 2018, dat verband hield met de oplichtingsfeiten waarvoor de verdachte was vrijgesproken. Gezien de onherroepelijke vrijspraak kon de ontnemingsvordering niet worden toegewezen. De rechtbank wees daarom de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen wegens vrijspraak van het onderliggende feit.