Op 27 april 2021 stichtte verdachte opzettelijk brand in de woning van zijn moeder door meerdere brandhaarden te veroorzaken met papieren zakdoekjes, een matras en huisvuil. De brandweer constateerde meerdere brandhaarden en hevige rookontwikkeling, maar er was geen gevaar voor omwonenden.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte de brandstichting heeft gepleegd, maar niet dat er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen was. Verdachte heeft tijdens de zitting bekend en zijn opzet was gericht op het veroorzaken van brand en rookontwikkeling.
Psychologisch onderzoek toonde aan dat verdachte leed aan een vermijdende persoonlijkheidsstoornis en een depressieve stemmingsstoornis, waardoor zijn toerekeningsvatbaarheid sterk verminderd was. Dit werd door de rechtbank overgenomen.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 150 dagen op, waarvan 109 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Tijdens de proeftijd gelden bijzondere voorwaarden waaronder meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling, met mogelijkheid tot klinische opname. De onvoorwaardelijke straf is verminderd met de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.