Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 november 2021 in de zaak tussen
de Stichting Onderzoek Oorlogsmisdaden, te Amsterdam, eiseres
de algemene rijksarchivaris, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
core crimes [7] toegang tot bepaalde informatie te geven, waaronder bepaalde informatie in het CABR en andere oorlogsarchieven die zijn ondergebracht in het Nationaal Archief. Eiseres kan volgens verweerder echter niet worden aangemerkt als een slachtoffer als bedoeld in artikel 51a Sv, en daarom is aan eiseres geen toegang verleend op grond van een volkenrechtelijke verplichting.
core crimestot het verkrijgen van toegang tot gerechtigheid. De Staat is verplicht om aan het slachtoffer voldoende informatie beschikbaar te stellen. Volgens eiseres kan zij op de eerste plaats zelf als slachtoffer in de zin van artikel 51a Sv worden aangemerkt. Zij wijst daarbij op haar doelstelling, zoals ook opgenomen in de statuten, om plegers van mogelijke oorlogsmisdaden waar ook ter wereld met de Nederlandse nationaliteit, of die in Nederland woonachtig zijn, bekend te maken zodat de slachtoffers van deze mensen recht gedaan kan worden en de daders hun straf niet ontlopen.
core crimesen hun nabestaanden optreedt. De door verweerder en de minister gestelde eis van een machtiging is volgens eiseres een formalistische gedachte, die niet wordt gereflecteerd door het internationale recht.
core crimeskan worden gezien en niet kan worden gezegd dat zij ten tijde van het bestreden besluit namens slachtoffers van
core crimesof hun nabestaanden optrad, heeft verweerder het verzoek om inzage terecht afgewezen vanwege het ontbreken van een volkenrechtelijke verplichting (als bedoeld in artikel 32, aanhef en onder e, juncto artikel 23, aanhef en onder a van de UAVG). De omstandigheid dat verweerder na de zitting van 23 november 2020, in de zoektocht van partijen naar een oplossing in deze zaak, alsnog toegang tot beperkt openbare bescheiden heeft gegeven aan eiseres, doet aan het voorgaande niet af. Hieraan lagen (onder andere) de verklaringen ten grondslag die pas na het bestreden besluit zijn overgelegd. Omdat de toetsing door de rechtbank van het bestreden besluit een ex tunc karakter draagt kan met deze nieuwe feiten geen rekening worden gehouden bij de beoordeling van het bestreden besluit.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 28 april 2020 en tegen de inzagebesluiten van 26 januari 2021 ongegrond;
- wijst het verzoek van eiseres om schadevergoeding af.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2021.