ECLI:NL:RBAMS:2021:6862

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 oktober 2021
Publicatiedatum
26 november 2021
Zaaknummer
13/751847-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentiegarantie

De rechtbank Amsterdam heeft op 22 oktober 2021 uitspraak gedaan over de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen van in totaal 691 dagen opgelegd door correctionele rechtbanken in Antwerpen en Turnhout. De opgeëiste persoon, zonder vaste verblijfplaats in Nederland en gedetineerd in een Nederlandse inrichting, werd bijgestaan door raadsman en gehoord via telehoor.

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon bevestigd en vastgesteld dat de feiten waarvoor overlevering wordt gevraagd, onder meer diefstal, deelname aan een criminele organisatie en overtredingen van de Opiumwet en Wet wapens en munitie, ook in Nederland strafbaar zijn. De rechtbank verwierp het verzoek tot strafrechtelijke overname omdat niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verbleef.

Ten aanzien van de detentieomstandigheden in België, waar de opgeëiste persoon detentieschade had opgelopen, heeft de rechtbank de algemene detentiegarantie van de Belgische autoriteiten van 9 september 2021 als voldoende beoordeeld. Deze garantie sluit het risico op onmenselijke of vernederende behandeling uit, ook in gevangenissen waar het 'grondslapersprobleem' speelt. De rechtbank concludeerde dat er geen reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon na overlevering onmenselijk zal worden behandeld.

Gelet op het voldoen aan de wettelijke vereisten van de Overleveringswet en het ontbreken van weigeringsgronden, heeft de rechtbank de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751847-21
RK nummer: 21/4378
Datum uitspraak: 22 oktober 2021
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 augustus 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 augustus 2021 door het Parket van de Procureur des Konings Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 1972,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit andere hoofde gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 oktober 2021. Het verhoor heeft – via telehoren – plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. van Riel, advocaat te Breda.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Belgische nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van vonnis 1 van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen van 25 juni 2020 en vonnis 2 van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout van 26 oktober 2018.
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de processen die tot beide beslissingen hebben geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar voor vonnis 1 en 15 maanden voor vonnis 2, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van beide straffen tezamen resteren volgens het EAB nog 691 dagen. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
  • diefstal door twee of meer verenigde personen
  • deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid van de Opiumwet
  • handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
  • opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
  • handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
  • handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de vrijheidsstraf over te nemen. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat, hoewel de opgeëiste persoon niet voldoet aan de vereisten van artikel 6a, negende lid OLW, er voldoende aanleiding bestaat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW toe te passen. De opgeëiste persoon verblijft al enige tijd in Nederland, heeft zich in Nederland ingeschreven en zal mogelijk eerst nog in Nederland een gevangenisstraf moeten uitzitten. Zijn kinderen wonen ook in Nederland. Hij heeft geen familie meer in België en wil graag in Nederland blijven.
De officier van justitie heeft gesteld dat de opgeëiste persoon niet in aanmerking komt voor gelijkstelling. De opgeëiste persoon zat recentelijk nog gedetineerd in België en heeft daarnaast ook geen vijf jaren onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland gehad. Strafovername is dan ook niet mogelijk.
De rechtbank is van oordeel dat de OP niet met een Nederlander gelijkgesteld kan worden, omdat niet (met stukken) is onderbouwd dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW is dan ook niet aan de orde en de overlevering kan niet worden geweigerd.
Gelet op het feit dat overlevering slechts op grond van een aantal limitatief opgesomde weigeringsgronden kan worden geweigerd, kan de rechtbank hiervan niet ten gunste van de opgeëiste persoon afwijken. Het verweer wordt verworpen.

6.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden

Bij uitspraak van 22 juni 2021 [1] heeft de rechtbank geconcludeerd dat in België een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die terecht komen in een instelling waar sprake is van grondslapers, waardoor de minimale persoonlijke ruimte van 3 m2 in een meerpersoonscel niet meer is gewaarborgd, alsmede waar sprake is van niet-afgeschermde toiletten in meerpersoonscellen. De detentie-instellingen waar hiervan sprake is, zijn: Antwerpen, Gent, Brugge, Oudenaarde, Hasselt, Dendermonde en Mechelen.
De
General Counsellor bij het Directorate General Legislation, Fundamental Rights and Freedomsheeft bij brief van 9 september 2021 de volgende algemene garantie gegeven:
“Als algemene regel, kunnen in België de volgende algemene waarborgen gegeven worden bij een overlevering in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel :
- De overgeleverde persoon zal in een cel worden opgesloten waarvan de oppervlakte en de inrichting beantwoordt aan de normen van het CPT van de Europese Raad (minimum 3m2). Dit zowel wanneer hij alleen verblijft in een cel als wanneer hij een daarvoor aangepaste en grotere cel deelt met een andere persoon.
- De sanitaire blokken, doorgaans voorzien van een wasbak en toilet, zijn afgescheiden van de rest van de cel door een muur of door een scherm. Soms is er ook een douche voorzien. In dat geval is het sanitair complex afgescheiden van de rest van de cel.”
Eerder in deze brief wordt ten aanzien van gevangenissen waar gedetineerden op een extra matras slapen, ofwel waar de ‘grondslapers-problematiek’ zich voordoet, over de celruimte en de sanitaire blokken de volgende opmerking gemaakt:
“Bovendien garanderen wij dat in de gevangenissen waarin dit fenomeen zich voordoet, er zal op toegezien worden dat de overgeleverden niet zullen worden opgesloten in een dergelijke afdeling zodat de overgeleverde personen ten minste over 3m2 personal space beschikken exclusief de sanitaire blokken.”
De raadsman heeft verzocht de overlevering te weigeren, nu de detentieomstandigheden aan de overlevering in de weg staan. De opgeëiste persoon heeft eerder detentieschade opgelopen in de strafinrichting in Merksplas, waar hij ratten en kakkerlakken zag rondlopen en met vier gedetineerden op een cel lag zonder afgeschermd toilet. Bovengenoemde algemene garantie neemt het gevaar voor de opgeëiste persoon niet weg.
De officier van justitie heeft gesteld dat de garantie afdoende is. Getoetst dient te worden of er direct na de overlevering een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling. De gegeven detentiegarantie sluit dat gevaar uit. Ook is door deze rechtbank recent in andere zaken de garantie afdoende bevonden.
De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 7 oktober 2021 [2] , waarin is geoordeeld dat de hiervoor genoemde brief van de Belgische autoriteiten van 9 september 2021, inhoudende een algemene detentiegarantie, in elke overleveringszaak geldig is, zoals de Belgische autoriteiten in bedoelde brief hebben bevestigd.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [3] De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de zeven hiervoor genoemde penitentiaire instellingen heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon.
Voor zover de opgeëiste persoon aldus na overlevering zal worden geplaatst in één van de zeven hiervoor genoemde penitentiaire instellingen waar sprake is van grondslapers, is met deze garantie naar het oordeel van de rechtbank dan ook het ten aanzien van die instellingen aangenomen algemene gevaar voor de opgeëiste persoon uitgesloten.
Ten aanzien van andere detentie-instellingen dan de hiervoor genoemde zeven gevangenissen, zoals de strafrichting in Merksplas, heeft de rechtbank geen algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende detentie-omstandigheden aangenomen en vormt hetgeen de raadsman in dit verband heeft aangevoerd geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens op grond waarvan een algemeen reëel gevaar kan worden aangenomen dat personen die aldaar zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld..
De detentieomstandigheden staan om die reden niet aan overlevering in de weg. Het verweer wordt verworpen.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro , er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht, 2, 10 en 11b Opiumwet, 13, 26 en 55 Wet Wapens en Munitie en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het Parket van de Procureur des Konings Antwerpen (België).
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. M.T.C. de Vries en N.C.H. Blankevoort, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Spanjaart, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 22 oktober 2021.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

3.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak