Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 februari 2020 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [plaatsnaam] , verzoekster
[naam], vergunninghoudster,
Rechtbank Amsterdam
Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning gekregen voor een aanbouw aan haar woning in Amsterdam, bestaande uit een uitbouw van zes meter diep op de begane grond, een dakverlenging en dakkapellen. Verzoekster, een buurvrouw, maakte bezwaar tegen deze vergunning omdat de aanbouw haar woongenot aantast door vermindering van zonlicht, uitzicht en privacy. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de vergunning te schorsen totdat op haar bezwaar was beslist.
De voorzieningenrechter beoordeelde dat het geschil zich richt op de vraag of het strijdig gebruik van de grond in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college had de vergunning verleend op grond van een buitenplanse afwijkingsmogelijkheid, waarbij het belang van openheid langs het water en het landschappelijke karakter voldoende was gewaarborgd. De voorzieningenrechter volgde het college in de uitleg dat de aanbouw niet leidt tot verstedelijking en dat het open karakter behouden blijft.
Ten aanzien van de vermindering van zonlicht en uitzicht stelde de voorzieningenrechter vast dat de stellingen van verzoekster onvoldoende waren onderbouwd en dat er volgens vaste jurisprudentie geen recht is op vrij uitzicht. De privacy-inbreuk werd erkend maar niet als zodanig ernstig beoordeeld dat de vergunning niet verleend had mogen worden.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft en dat het belang van onmiddellijke uitvoering van de vergunning zwaarder weegt. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, waardoor vergunninghoudster de bouw kan voortzetten tot de beslissing op bezwaar.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de bouw kan worden voortgezet.