Partijen, die een bijna 50-jarige vriendschappelijke relatie hadden, kwamen in geschil over een overeenkomst betreffende juridische bijstand in een kort gedingprocedure en een daaropvolgend hoger beroep. Eiser vorderde betaling van een restantbedrag van €13.150, terwijl gedaagde stelde dat er geen geldige prijsafspraak was en dat sprake was van dwaling. De kantonrechter oordeelde dat uit e-mailcorrespondentie en gedragingen een overeenkomst tot betaling van €15.000 was gesloten, waarvan een voorschot van €5.000 was voldaan.
In reconventie stelde gedaagde dat eiser beroepsfouten had gemaakt door onzorgvuldig op te treden in de kort gedingprocedure en door het instellen van een kansloos hoger beroep. De kantonrechter stelde vast dat hoger beroep mogelijk was en dat eiser mocht optreden namens de vader van gedaagde. De stellingen van gedaagde werden onvoldoende onderbouwd en het verwijt van onzorgvuldig handelen werd verworpen.
De kantonrechter veroordeelde gedaagde tot betaling van het restantbedrag vermeerderd met wettelijke rente en wees de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af wegens het ontbreken van incassohandelingen. De proceskosten werden grotendeels aan gedaagde opgelegd. De beroepsfoutvordering werd afgewezen.