De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 november 2021 de vordering tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen. De verdachte werd verdacht van deelneming aan een criminele organisatie en georganiseerde diefstal, feiten die op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet (OLW) staan.
De verdachte voerde aan onschuldig te zijn, met het argument dat hij zijn identiteitsbewijs was kwijtgeraakt en mogelijk iemand anders zijn identiteit gebruikte. De rechtbank oordeelde dat dit onschuldverweer onvoldoende was om overlevering te weigeren. Tevens werd een garantie gegeven dat, indien de verdachte in België onherroepelijk tot een vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal ondergaan.
De rechtbank beoordeelde ook de detentieomstandigheden in België, waarbij zij concludeerde dat de algemene garanties van de Belgische autoriteiten voldoende zijn om een reëel gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling weg te nemen. Gezien het ontbreken van weigeringsgronden en de geldigheid van het EAB, werd de overlevering toegestaan.