ECLI:NL:RBAMS:2021:7302

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2021
Publicatiedatum
14 december 2021
Zaaknummer
13-665517-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511c SvArt. 6:4:18 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ontnemingsprocedure na voldaan schikkingsovereenkomst

De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht. De vordering betrof het bedrag dat veroordeelde had verkregen door strafbare feiten zoals medeplegen van dwang, diefstal, verduistering en valsheid in geschrifte.

De officier van justitie had met veroordeelde een ontnemingsschikking getroffen waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op € 26.500,00. Veroordeelde heeft dit bedrag inmiddels volledig voldaan. Tijdens de terechtzitting op 26 november 2021 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank verklaart dat de zaak van rechtswege is geëindigd.

De rechtbank overwoog dat, hoewel de wet niet expliciet voorschrijft hoe te beslissen bij voldane schikking, het het meest recht doet aan de wettelijke bedoeling om de ontnemingsprocedure af te sluiten. De rechtbank verwees naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter ondersteuning van deze interpretatie. De rechtbank verklaarde vervolgens dat de zaak van rechtswege is geëindigd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de ontnemingszaak van rechtswege geëindigd na volledige voldoening van de schikking.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13/665517-15
Datum uitspraak: 10 december 2021
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/665517-15 tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] .
ingeschreven op het adres [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 26 november 2021.

2.De vordering

De vordering van de officier van justitie van 26 juni 2019 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 97.618,59.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft de feiten waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3.Grondslag van de vordering

[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 juli 2019 veroordeeld voor het medeplegen van dwang tot afgifte van bankpassen, pincodes en identiteitskaarten, diefstal van geldbedragen van verschillende personen, verduistering in dienstbetrekking en valsheid in geschrifte.

4.Het wederrechtelijk verkregen voordeel

Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde door middel van voornoemde strafbare feiten voordeel verkregen.
De officier van justitie heeft kenbaar gemaakt dat met veroordeelde een ontnemingsschikking, als bedoeld in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering (Sv), is getroffen waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op een bedrag van € 26.500,00. Gelet op het feit dat veroordeelde dit bedrag inmiddels volledig heeft voldaan, heeft de officier van justitie ter zitting gevorderd dat wordt verstaan dat de zaak van rechtswege is geëindigd.

5.Beslissing

Artikel 6:4:18 Sv Pro bepaalt dat, als met de veroordeelde een schikking is aangegaan en door de veroordeelde aan de termen van de schikking is voldaan de zaak (als de vordering tot ontneming al is ingediend bij de rechtbank) van rechtswege is geëindigd. De wet bepaalt niet hoe de beslissing van de rechtbank in zo’n geval moet luiden. De rechtbank overweegt dat, hoewel het verstaan dat de zaak van rechtswege is geëindigd na het voldoen aan een schikking niet past in het systeem van de wet, deze beslissing het meest recht doet aan hetgeen de wetgever ten aanzien van de afhandeling van de ontnemingsprocedure heeft beoogd. De rechtbank verwijst naar her arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7248.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verstaat dat de zaak van rechtswege is geëindigd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.M. Jongkind, voorzitter,
mrs. G.H. Marcus en L. Dolfing, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 december 2021.