ECLI:NL:RBNNE:2022:3164

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 augustus 2022
Publicatiedatum
30 augustus 2022
Zaaknummer
18/750011-20 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511c SvArt. 6:4:18 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na schikking in mega-drugszaken

In deze strafzaak heeft de rechtbank Noord-Nederland op 17 augustus 2022 uitspraak gedaan over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen een verdachte uit een omvangrijke drugsonderzoek.

De officieren van justitie vorderden een ontnemingsbedrag van €41.861,91, maar op 10 februari 2022 werd een schriftelijke schikking gesloten waarbij verdachte voorwerpen ter waarde van €16.955,52 overdroeg. Verdachte heeft tijdig aan de schikking voldaan, waardoor de ontnemingszaak volgens artikel 6:4:18 Sv Pro van rechtswege is geëindigd.

De rechtbank oordeelt dat in lijn met jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een declaratoir vonnis kan worden gewezen dat de ontnemingszaak is geëindigd. De verdediging nam geen standpunt in tegen de vordering van het openbaar ministerie.

De uitspraak bevestigt dat schikkingen in ontnemingszaken rechtsgevolgen hebben en dat de rechtbank deze kan bekrachtigen met een declaratoir vonnis, waarmee verdere procedurele stappen worden voorkomen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart dat de ontnemingszaak van rechtswege is geëindigd na voldoening aan de schikking.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie
Leeuwarden
parketnummer 18/750011-20
Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 17 augustus 2022 op een vordering van de officieren van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[veroordeelde], geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [straatnaam].
A.
Onderzoek van de zaak
Deze beslissing is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 februari 2022, 25 maart 2022, 13 april 2022, 19 april 2022 en 12 mei 2022.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. M.S. Kappeyne van de Coppello en H.J. Mous en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, naar voren hebben gebracht.
Beoordeling van de ontnemingsvordering

1.Vaststelling van de feiten

De officieren van justitie hebben op 8 maart 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank vaststelt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, Sr, wordt geschat op een bedrag van € 41.861,91 en dat aan verdachte de verplichting wordt opgelegd tot betaling van dit bedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op 10 februari 2022 is de officier van justitie overeenkomstig het bepaalde in artikel 511c Sv met verdachte een schriftelijke schikking aangegaan tot overdracht van voorwerpen ter (gedeeltelijke) ontneming van het ingevolge artikel 36e Sr voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel. De waarde van deze voorwerpen is geschat op een bedrag van € 16.955,52.
Verdachte heeft tijdig voldaan aan de termen van de schikking en voorkomt daarmee oplegging van de ontnemingsmaatregel.

2.Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben bij requisitoir gevorderd dat de rechtbank een declaratoir vonnis wijst waarin wordt verstaan dat de ontnemingszaak tegen verdachte van rechtswege is geëindigd.

3.Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de officieren van justitie.

4.Oordeel van de rechtbank

Het openbaar ministerie is overeenkomstig het bepaalde in artikel 511c Sv een schikking met verdachte aangegaan. Verdachte heeft tijdig aan de termen van die schikking voldaan. Hierdoor is de ontnemingszaak tegen verdachte, waarin reeds een vordering was ingediend, op grond van het bepaalde in artikel 6:4:18, eerste lid, Sv, van rechtswege geëindigd. De rechtbank leidt uit de jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden af dat een ontnemingszaak in een dergelijk geval afgedaan kan worden met een declaratoir vonnis waarin het voornoemde wordt verstaan. [1] De rechtbank zal daartoe ook overgaan. [2] [3] [4]
C. Beslissing
De rechtbank
Verstaat dat de zaak van rechtswege is geëindigd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. F. Sieders en mr. J.V. Nolta, rechters, bijgestaan door mr. W.D. de Boer en mr. C.G. Velvis, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 augustus 2022.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 6 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7248.
2.Vgl. Rb. Noord-Nederland 10 februari 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:571.
3.Vgl. Rb. Amsterdam 10 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7302.
4.Vgl. Rb. Rotterdam 24 februari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1280.