In deze strafzaak stond verdachte terecht voor feitelijk leidinggeven en medeplegen bij het illegaal verhandelen van niet-toegestaan digestaat, gebruik van valse vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) en deelname aan een criminele organisatie. Het onderzoek richtte zich op het familiebedrijf en de mesthandelaren die digestaat produceerden en verhandelden.
De politie startte een onderzoek na een anonieme melding over het illegaal afleveren van digestaat bij veehouders zonder de vereiste documenten. Het digestaat was afkomstig van een industriële vergister die dierlijke bijproducten verwerkte, maar niet voldeed aan de wettelijke eisen om als meststof te worden gebruikt. Er werd ook export naar Duitsland onderzocht waarbij vermoedelijk valse VDM’s werden gebruikt.
De rechtbank stelde vast dat verdachte via tussenbedrijven bestuurder was van mesthandelaren die hun eigen digestaat opsloegen en afvoerden met VDM’s. Het digestaat van het familiebedrijf raakte vermengd met dat van de mesthandelaren, maar er was geen bewijs dat verdachte of de mesthandelaren wisten van deze vermenging of betrokken waren bij het gebruik van valse vervoersbewijzen.
De verdediging voerde aan dat verdachte geen wetenschap had van onregelmatigheden en dat de mestboekhouding in balans was volgens een deskundigenrapport. De rechtbank concludeerde dat het Openbaar Ministerie onvoldoende onderzoek had gedaan naar de aanvoerzijde en dat de feiten niet bewezen konden worden. Daarom werd verdachte vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.