De burgemeester van Amsterdam legde aan eiser, toen 16 jaar oud, een verblijfsverbod van één maand op voor het centrumgebied vanwege herhaalde ordeverstoringen. Eiser had eerder twee kortdurende verblijfsverboden gekregen, wat volgens de Algemene plaatselijke verordening (Apv) een voorwaarde is voor het opleggen van een langduriger verbod.
Eiser betwistte het besluit niet inhoudelijk, maar voerde aan dat het besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid en dat de zwaarste maatregel onterecht was opgelegd. De rechtbank oordeelde dat eiser procesbelang had ondanks het verstreken verbod, omdat het besluit zijn eer en goede naam schaadde.
De rechtbank stelde vast dat eiser voldoende gelegenheid had gehad om zijn zienswijze te geven en dat de burgemeester zorgvuldig had gehandeld, ook gezien het feit dat eiser bijna meerderjarig was en niet kwetsbaar overkwam. De burgemeester had bovendien een corridor ingesteld zodat eiser naar school kon gaan.
De rechtbank vond het verblijfsverbod passend en noodzakelijk om ernstige overlast te bestrijden, en dat het niet disproportioneel was gezien de omstandigheden. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het verblijfsverbod bleef in stand.