Verweerder heeft een omgevingsvergunning verleend voor het bouwkundig splitsen van een woning in zeven zelfstandige woonruimten, inclusief een dakopbouw en een vergunningsvrije aanbouw. Verzoekers, omwonenden, maakten bezwaar en stelden beroep in tegen dit besluit. Zij vreesden onder meer dat de vergunningvoorschriften niet gehandhaafd zouden worden, dat het Bouwbesluit niet werd nageleefd en dat er conflicten zouden ontstaan met de Huisvestingswet.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de handhaving van vergunningvoorschriften losstaat van de vergunningverlening en dat verzoekers geen concrete aanwijzingen hadden geleverd dat voorschriften niet handhaafbaar zijn. Ook kon niet worden geoordeeld dat het Bouwbesluit of de Wet Bibob in hun belang werd geschonden. De aanbouw viel buiten de vergunningaanvraag en het bestemmingsplan stelde geen beperkingen aan het aantal woningen.
Verder werd geoordeeld dat de omgevingsvergunning losstaat van de omvormingsvergunning op grond van de Huisvestingswet, waartegen verweerder nog bezwaar moet afhandelen. De door verzoekers aangevoerde bezwaren over parkeeroverlast en leefklimaat konden niet worden meegewogen omdat het een gebonden beschikking betreft. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.