ECLI:NL:RBAMS:2022:1818

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2022
Publicatiedatum
6 april 2022
Zaaknummer
13/112586-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 SvArt. 9a SrArt. 348 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om vergoeding kosten rechtsbijstand na beleidssepot afgewezen behalve kosten verzoekschrift

Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering om vergoeding van kosten van haar raadsvrouw en reiskosten, alsmede kosten voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift, nadat de strafzaak tegen haar onvoorwaardelijk is geseponeerd.

De officier van justitie verzette zich tegen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, omdat het sepot met een beleidssepot is gedaan en er vermoedens van schuld zijn. De rechtbank overweegt dat een onvoorwaardelijk sepot een einde van de zaak betekent, maar dat bij vermoedens van schuld geen gronden van billijkheid zijn om rechtsbijstandskosten te vergoeden.

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de kosten van de raadsvrouw af, maar kent wel een vergoeding toe voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open.

Uitkomst: Vergoeding van € 680,00 voor kosten verzoekschrift toegekend, overige kosten rechtsbijstand afgewezen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/112586-21
RK: 21/5941
Beschikking op het verzoek ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] ,
wonende [adres 1] ,
woonplaats kiezend op het kantooradres van haar raadsvrouw, mr. M.M.C. Glismeijer, [adres 2] ,
verzoekster.

De procesgang

Het verzoekschrift is op 2 november 2021 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Op 26 november 2021 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 17 maart 2022 namens verzoekster haar raadsvrouw en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

De inhoud van het verzoekschrift

Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 3.160,52 voor de kosten van de raadsvrouw alsmede reiskosten en € 680,00 voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.
In raadkamer heeft de raadsvrouw ter aanvulling op het verzoekschrift en naar aanleiding van het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – kort samengevat – het volgende aangevoerd.
De raadsvrouw stelt dat het de vraag is of deze zaak überhaupt in het strafrecht thuishoorde. Het gaat om een bijzondere situatie, waarbij psychische overmacht niet kan worden uitgesloten. Uiteindelijk is de zaak dan ook geseponeerd, omdat strafoplegging in het geheel niet passend meer werd geacht. Verzoekster acht het redelijk en billijk dat de rechtbank zal bepalen dat de kosten van de raadsvrouw aan haar vergoed zullen worden.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – met verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen het toekennen van enige schadevergoeding.
Door te seponeren met een beleidssepot is er rekening gehouden met de persoonlijke belangen van verzoekster. Er is bewust niet gekozen voor de sepotcode psychische overmacht. Door het handelen van verzoekster heeft zij een raadsvrouw in de arm moeten nemen. Om redenen van billijkheid acht de officier van justitie het doorberekenen van de kosten van de raadsvrouw en de indiening van het verzoek aan de maatschappij niet passend.

De beoordeling

De officier van justitie heeft de strafzaak tegen verzoekster onvoorwaardelijk geseponeerd en dat bij brief van 14 oktober 2021 aan haar meegedeeld.
Indien de zaak een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de gewezen verdachte op zijn verzoek op grond van artikel 530 lid 1 Sv Pro een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde en kan aan de gewezen verdachte op zijn verzoek op grond van artikel 530 lid 2 Sv Pro uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, in de kosten van een raadsman.
Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak.
Op grond van artikel 534 lid 1 Sv Pro heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De strafzaak tegen verzoeker is op 14 oktober 2021 onvoorwaardelijk geseponeerd. Een onvoorwaardelijk sepot dient te worden aangemerkt als een ‘einde zaak’ in de zin van artikel 530 Sv Pro.
Het verzoek is tijdig ingediend.
Indien een zaak niet is geëindigd in een vrijspraak, maar bijvoorbeeld met een sepot of door een beslissing als bedoeld in artikel 348 Sv Pro, is het tot uitdrukking brengen van vermoedens van schuld in beginsel niet strijdig met de onschuldpresumptie en staat het de raadkamer tevens vrij te verwijzen naar een motivering van de beslissing in de strafzaak, telkens zolang het oordeel van de raadkamer niet alsnog in essentie een vaststelling van schuld behelst. (Hof Amsterdam 9 november 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3393).
Gelet op de inhoud van het dossier is in deze zaak sprake van vermoedens van schuld dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling en zijn er daarom geen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand. De rechtbank zal de kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift wel toekennen.
De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De beslissing

De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 680,00 (zeshonderdtachtig euro) voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.
Wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven door
mr. P.L.C.M. Ficq, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2022.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open, voor de officier van justitie binnen veertien dagen en voor verzoeker binnen een maand na betekening van deze beschikking, in te stellen ter griffie van deze rechtbank.
De rechtbank Amsterdam, enkelvoudige kamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 680,00 (zeshonderdtachtig euro) op IBAN-nummer [nummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Stichting Derdengelden Plasman Advocaten, onder vermelding van vergoeding 530 Sv, inzake: [verzoekster] .
Aldus gedaan op 17 maart 2022
door mr. P.C.L.M. Ficq, rechter.