Veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis veroordeeld tot een PIJ-maatregel die aanvankelijk voorwaardelijk werd opgelegd met bijzondere voorwaarden, waaronder behandeling en verblijf in een instelling als De Catamaran. Gedurende de proeftijd heeft veroordeelde zich echter herhaaldelijk onttrokken aan behandeling, onder meer door weg te lopen uit de instelling en zijn enkelband te verwijderen.
Diverse betrokken instanties, waaronder de Catamaran, de WSS en de Raad voor de Kinderbescherming, hebben aangegeven dat de motivatie en zelfreflectie van veroordeelde onvoldoende zijn om behandeling binnen een ambulant kader te laten slagen. Alternatieve behandelopties zijn onderzocht maar niet haalbaar gebleken.
De officier van justitie vordert daarom de omzetting van de voorwaardelijke in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, ondanks mogelijke negatieve gevolgen voor de verblijfsstatus van veroordeelde. De verdediging betoogt dat veroordeelde nog onvoldoende tijd heeft gehad om van de behandeling te profiteren en dat alternatieven niet volledig zijn onderzocht.
De rechtbank oordeelt dat veroordeelde de bijzondere voorwaarden heeft overtreden en dat binnen het ambulante kader geen gedragsverandering is bereikt. Gelet op het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van veroordeelde en de noodzaak van intensieve behandeling, wordt de tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel gelast. De mogelijke gevolgen voor de verblijfsstatus zijn meegewogen maar leiden niet tot een andere beslissing.