De rechtbank Amsterdam behandelde op 9 maart 2022 een vordering van de officier van justitie tot in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Duitse rechtbank. Het EAB betrof de overlevering van een persoon geboren in 1977, met Nederlandse nationaliteit, aan Duitsland voor een strafrechtelijk onderzoek.
Tijdens de zitting was de opgeëiste persoon niet aanwezig, maar zijn raadsman wel. De rechtbank stelde de identiteit van de opgeëiste persoon vast en bevestigde de juistheid van de gegevens. De raadsman overhandigde arresten van Belgische rechterlijke instanties waaruit bleek dat de Belgische autoriteiten het EAB uitvoerbaar hadden verklaard en dat de feitelijke overlevering aan Duitsland reeds had plaatsgevonden.
De officier van justitie en de raadsman waren het eens dat deze feiten tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vordering moesten leiden. De rechtbank volgde dit standpunt en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot in behandeling nemen van het EAB. Tevens stelde de rechtbank vast dat de overleveringsdetentie was beëindigd. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.