AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestaan overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer op grond van artikel 11 OLW
De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 maart 2022 de vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De verdachte werd verdacht van een ernstig strafbaar feit, te weten moord of doodslag, waarvoor in Polen een vrijheidsstraf van minimaal drie jaar staat.
De verdediging voerde verweren aan op grond van artikel 11 vanPro de Overleveringswet (OLW), stellende dat er een reëel gevaar bestaat dat de verdachte in Polen niet zal worden gegarandeerd van een eerlijk proces en dat hij risico loopt op foltering of onmenselijke behandeling. Tevens werd gewezen op de psychische en lichamelijke gesteldheid van de verdachte.
De rechtbank oordeelde dat het algemene gevaar voor schending van het recht op een eerlijk proces in Polen reeds bekend is, maar dat er geen concreet individueel gevaar voor de verdachte is aangetoond. Ook het verwijt van een mogelijke wetswijziging die het gebruik van onder foltering verkregen bewijs toestaat, kon niet worden onderbouwd met actuele feiten. De psychische en lichamelijke toestand van de verdachte vormt geen beletsel voor overlevering, waarbij rekening kan worden gehouden met noodzakelijke zorg na overlevering.
Gelet op het voldoen aan de wettelijke eisen en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751011-22
RK nummer: 22/169
Datum uitspraak: 7 april 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 OverleveringswetPro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 januari 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 december 2021 door de Circuit Law Court in Świdnica(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1969,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1.Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 maart 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon – aanwezig via een videoverbinding - is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. F.S. Baardman, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een bevel tot voorlopige hechtenis van de District Law Court of Dzierźoniówvan 22 december 2021 (II Kp 367/21).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
4.Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 14, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden.
Ten eerste loopt de opgeëiste persoon een reëel gevaar dat zijn recht op een eerlijk proces zal worden geschonden. De rechtbank heeft al eerder een algemeen gevaar voor schending van dit recht in Polen vastgesteld. Ten aanzien van de opgeëiste persoon geldt eveneens een individueel gevaar. De opgeëiste persoon heeft namelijk vernomen dat er op de Poolse radio is gesproken over zijn zaak, en dat hij daarbij in een kwaad daglicht is gezet. Hieruit blijkt dat de zaak van de opgeëiste persoon bijzondere aandacht heeft gekregen in de Poolse media en mogelijk in de politiek.
Ten tweede loopt de opgeëiste persoon een reëel gevaar dat hij in Polen zal worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling. In paragraaf 18 van het rapport van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (hierna: het CPT) van 28 oktober 2020 staat dat er mogelijk een Poolse wetswijziging op komst is die het mogelijk maakt om bewijs dat is verkregen door middel van marteling te gebruiken voor de bewezenverklaring. Op grond daarvan kan een algemeen gevaar worden vastgesteld. Daarnaast loopt de opgeëiste persoon een individueel gevaar, omdat hij een kwetsbaar persoon is met psychische en lichamelijke problemen. De psychische problematiek uit zich in suïcidale gedachten, die op dit moment in rechtstreeks verband staan met de mogelijke overlevering naar Polen.
De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht geen gevolg te geven aan het EAB. Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht nadere informatie te vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, indien de rechtbank zich op basis van het voorgaande nog onvoldoende voorgelicht acht om aan het EAB geen gevolg te geven. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw de officier van justitie in het kader van artikel 35 OLWPro verzocht om noodzakelijke maatregelen te treffen zodat de opgeëiste persoon op een veilige manier kan worden overgeleverd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen gegevens zijn verstrekt op grond waarvan een individueel gevaar op schending van het recht op een eerlijk proces kan worden vastgesteld. Daarnaast staat ook de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon niet aan overlevering in de weg. De informatie over de psychische en lichamelijke gezondheid van de opgeëiste persoon kan, met zijn toestemming, met de Poolse autoriteiten gedeeld worden, zodat er zorg voor gedragen kan worden dat de opgeëiste persoon in Polen de beschikking zal krijgen over de zorg die hij nodig heeft. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de overlevering toe te staan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De omstandigheid dat de Poolse media aandacht hebben besteed aan de zaak van de opgeëiste persoon doet op zichzelf niet vermoeden dat de eerder door de rechtbank vastgestelde structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon. De overlevering wordt verzocht voor een ernstig feit, namelijk een ander van het leven beroven door middel van messteken. Dat een dergelijke zaak aandacht krijgt in de media is niet onbegrijpelijk. Er is dan ook niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces. [1]
Ten aanzien van schending van het verbod op foltering en een onmenselijke of vernederende behandeling na overlevering aan Polen heeft de rechtbank geen algemeen gevaar vastgesteld. De rechtbank kan een algemeen reëel gevaar vaststellen op grond van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens. [2] De raadsvrouw heeft verwezen naar paragraaf 18 van het CPT rapport van 28 oktober 2020, waarin een mogelijke Poolse wetswijziging staat beschreven. Dat een dergelijke wetswijziging daadwerkelijk in werking is getreden, is door de raadsvrouw niet onderbouwd. Nu gesteld noch gebleken is dat deze wetswijziging van kracht is in Polen, ziet de rechtbank geen aanleiding om op grond hiervan een algemeen gevaar op schending van het verbod op foltering en een onmenselijke of vernedering vast te stellen.
Tot slot vormt ook de psychische en lichamelijke gesteldheid van de opgeëiste persoon geen beletsel om de overlevering toe te staan. De raadsvrouw heeft namelijk niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens aangetoond dat er in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling doordat gedetineerden in Polen niet de benodigde medische zorg zullen krijgen. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan het EAB geen gevolg te geven of de uitvaardigende justitiële autoriteit om nadere informatie te vragen. De rechtbank verwerpt het primaire en het subsidiaire verweer van de raadsvrouw. Met de psychische en lichamelijke gesteldheid van de opgeëiste persoon kan rekening worden gehouden in het kader van artikel 35 OLWPro.
6.Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
7.Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan de Circuit Law Court in Świdnica(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.T.C. de Vries, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en C.M. Delstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.A. Dijk, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 7 april 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
1.. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, parketnummer 13/752022-20 (nog te publiceren), onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
2.HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (