De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 maart 2022 de vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen. De verdachte werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met phishing.
De verdediging voerde aan dat het EAB niet genoegzaam was en dat de plaatsbepaling onvoldoende specifiek was. De rechtbank oordeelde echter dat het EAB, samen met aanvullende informatie van het Belgische parket, voldoende duidelijkheid bood over de feiten, de betrokkenheid van de verdachte en de plaats van de gepleegde strafbare feiten. De rechtbank verwierp het primaire en subsidiaire verweer van de verdediging.
De rechtbank stelde vast dat de strafbare feiten voorkomen op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet, waardoor onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege kon blijven. Daarnaast werd een terugkeergarantie verstrekt door de Belgische autoriteiten, waarmee werd gewaarborgd dat de verdachte, indien veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze in Nederland kan ondergaan.
De rechtbank nam ook kennis van een algemene detentiegarantie van België die het risico op onmenselijke of vernederende behandeling wegneemt. Gezien het voldoen aan alle wettelijke vereisten en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan.