De rechtbank Amsterdam behandelde op 13 april 2022 het verzoek tot overlevering van een persoon aan Hongarije op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Balassagyarmat Regional Court, Penitentiary Unit. De opgeëiste persoon werd verdacht van diefstal met braak en moet een gevangenisstraf van anderhalf jaar ondergaan.
De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon oorspronkelijk tot een voorwaardelijke gevangenisstraf was veroordeeld en dat de tenuitvoerlegging daarvan niet onder de verzetgarantie van artikel 12 OverleveringswetPro (OLW) valt. De rechtbank oordeelde dat beslissingen tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf niet onder artikel 12 OLWPro vallen, waardoor de verzetgarantie niet van toepassing is op deze zaak.
De rechtbank stelde vast dat de opgeëiste persoon persoonlijk aanwezig was bij het vonnis van 4 mei 2011 en dat het EAB voldoet aan de vereisten van de OLW. Er zijn geen andere weigeringsgronden en de dubbele strafbaarheid is gegeven. Daarom werd de overlevering toegestaan.
De uitspraak werd gedaan door mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter, en de rechters mrs. J.P.W. Helmonds en G.M. Beunk op 26 april 2022. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Hongarije toe ondanks het verzetgarantieverweer onder artikel 12 OLW.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751824-21 (EAB II)
RK nummer: 21/4459
Datum uitspraak: 26 april 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 OverleveringswetPro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 augustus 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 maart 2020 door de Balassagyarmat Regional Court, Penitentiary Unit(Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1982,
verblijvende te: [adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1.Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 april 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. R.W. van Zanden, advocaat te Hoofddorp, en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLWPro op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenneming.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de Municipal Court of Salgótarján(Hongarije) van 4 mei 2011 (No. B.8/2011/5).
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLWPro
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon bij het vonnis van 4 mei 2011 is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf. De tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke gevangenisstraf is bevolen bij het vonnis van 16 oktober 2014, dat ten grondslag ligt aan EAB I. Het is aannemelijk dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf is bevolen omdat de opgeëiste persoon een nieuw strafbaar feit zou hebben gepleegd, namelijk het feit waarvoor de overlevering is verzocht in EAB I. Ten aanzien van het vonnis dat ten grondslag ligt aan EAB I is echter een verzetgarantie verstrekt. Het is niet duidelijk of deze verzetgarantie zich ook uitstrekt over de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, terwijl dit EAB (EAB II) strekt tot executie van die straf. De raadsvrouw heeft de rechtbank daarom primair verzocht de overlevering te weigeren. Subsidiair heeft zij de rechtbank verzocht de uitvaardigende justitiële autoriteit om nadere informatie te vragen over de reden dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf is bevolen en over de reikwijdte van de verzetgarantie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan. Artikel 12 OLWPro strekt zich uit over het vonnis waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd, niet over de latere beslissing tot tenuitvoerlegging daarvan. De opgeëiste persoon is in persoon aanwezig geweest bij het proces dat tot het vonnis van 4 mei 2011 heeft geleid.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Beslissingen tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf, voor zover deze de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf niet wijzigen, vallen niet onder de reikwijdte van artikel 4 bisPro Kaderbesluit 2002/584/JBZ [1] en dus ook niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLWPro. Om die reden hoeft de rechtbank niet te beoordelen of de verzetgarantie, die is verstrekt voor het vonnis van 16 oktober 2014 (dat ten grondslag ligt aan EAB I), zich ook uitstrekt over de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Nu de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij het proces dat heeft geleid tot het vonnis van 4 mei 2011, is de weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 12 OLWPro niet van toepassing. De rechtbank verwerpt daarom het primaire verweer van de raadsvrouw. De rechtbank verwerpt ook het subsidiaire verzoek om aanhouding, nu uit het voorgaande volgt dat er geen aanleiding is om nadere vragen te stellen over de verzetgarantie.
5.Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
6.Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
7.Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 311 WetboekPro van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan de Balassagyarmat Regional Court, Penitentiary Unit(Hongarije) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. J.P.W. Helmonds en G.M. Beunk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.A. Dijk, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 26 april 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
1.HvJEU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026