ECLI:NL:RBAMS:2022:2955

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 mei 2022
Publicatiedatum
31 mei 2022
Zaaknummer
13/052200-22
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 13 OLW
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens drugshandel en witwassen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 mei 2022 het verzoek tot overlevering van een persoon aan Frankrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) van 24 februari 2022. De verdachte betwistte zijn identiteit en stelde onschuldig te zijn, maar dit werd door de rechtbank verworpen na onderzoek van vingerafdrukken en dossiergegevens.

Het EAB beschrijft de strafbare feiten, waaronder medeplegen van handel in en bezit van verdovende middelen, deelname aan een criminele organisatie en witwassen, gepleegd tussen 1 september 2021 en 7 januari 2022 te Straatsburg. De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende concreet is en voldoet aan de eisen van de Overleveringswet (OLW).

De rechtbank beoordeelde ook de strafbaarheid van de feiten volgens Nederlands recht en concludeerde dat de dubbele strafbaarheid voor het witwassen is voldaan. Het onschuldverweer werd verworpen omdat de verdachte dit niet aannemelijk had gemaakt.

De rechtbank weigerde de toepassing van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro, ondanks dat enkele feiten deels in Nederland zouden zijn gepleegd, omdat het onderzoek en vervolging in Frankrijk plaatsvonden en de bewijzen daar aanwezig zijn.

Ten aanzien van de detentieomstandigheden stelde de rechtbank vast dat de verdachte niet in de problematische inrichting in Nîmes wordt vastgehouden, zodat geen sprake is van onmenselijke behandeling. De overlevering werd daarom toegestaan zonder dat er weigeringsgronden van toepassing zijn.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Frankrijk toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/052200-22
RK nummer: 22/1467
Datum uitspraak: 24 mei 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 maart 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 februari 2022 door de
Procureur de la République près le Tribunal Judiciaire de Strasbourg(Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag 1] 1982,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 mei 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon (zie ook hierna onder 2.) is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. Yaprak, advocaat te Enschede en door een tolk in de Franse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De raadsman heeft erop gewezen dat zijn cliënt heeft verklaard niet de door Frankrijk gezochte [opgeëiste persoon] te zijn, maar zijn broer, [broer opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag 2] 1988.
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. Uit het dossier blijkt dat door de officier van justitie nadere gegevens zijn opgevraagd met betrekking tot de identiteit van de persoon van wie de uitvaardigende justitiële autoriteit de overlevering wenst. Uit deze gegevens (o.a. vingerafdrukken) blijkt naar het oordeel van de rechtbank afdoende dat de opgeëiste persoon de persoon betreft van wie de Franse justitiële autoriteit de overlevering vraagt. De rechtbank stelt vast dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Franse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van 24 februari 2022, uitgevaardigd door de eerste vicepresident belast met het gerechtelijk vooronderzoek bij de Rechtbank van Straatsburg (referentienummer: 5/22/1).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Genoegzaamheid

Standpunten ter zitting
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. De omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten zijn in het EAB niet genoegzaam omschreven.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is en dat de overlevering moet worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe moet het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien moet die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
In deze zaak geldt het volgende.
Uit het EAB onder e) blijkt dat de opgeëiste persoon - kort gezegd - wordt verdacht van het medeplegen van handel in en bezit van verdovende middelen, deelname aan een criminele organisatie en het medeplegen van witwassen, telkens in de periode van 1 september 2021 tot en met 7 januari 2022 te Straatsburg (Frankrijk). De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het EAB een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten bevat, alsmede van de betrokkenheid van de opgeëiste persoon. Het is hierdoor voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De omschrijving van de feiten is ook zodanig dat het voor de rechtbank mogelijk is te onderzoeken of aan alle voorwaarden voor de overlevering is voldaan en de naleving van het specialiteitsbeginsel kan worden gewaarborgd.
De rechtbank verwerpt het verweer.

5.Strafbaarheid

5.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet deels achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit een deel van de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1 en 5, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie,
en:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
5.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft een deel van de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
medeplegen van witwassen.

6.Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard dat sprake is van een persoonsverwisseling (zie ook hiervoor onder 2.) en dat hij niet schuldig is aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond.
De onschuldbewering kan reeds om die reden niet leiden tot weigering van de overlevering.

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB heeft betrekking op feiten die gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zijn gepleegd. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan de rechtbank de overlevering in die situatie weigeren.
De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd:
  • het opsporingsonderzoek en de vervolging zijn in Frankrijk aangevangen;
  • de bewijsmiddelen bevinden zich in Frankrijk;
  • de medeverdachten worden in Frankrijk vervolgd; en
  • de verdovende middelen zijn in Frankrijk ingevoerd en waren voor de Franse markt bestemd.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering moet zijn;
- de weigeringsgrond ertoe strekt te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Gelet op het voorgaande en de door de officier van justitie aangevoerde argumenten, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.

8.Detentieomstandigheden

De rechtbank heeft onder meer bij uitspraak van 30 mei 2017 [1] geoordeeld dat er ten aanzien van de detentie-instelling in Nîmes een algemeen reëel gevaar bestaat dat personen die daar zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).
In de e-mail van 30 maart 2022 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit laten weten dat de opgeëiste persoon niet in de detentie-instelling in Nîmes wordt gedetineerd.
Aldus is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon na overlevering aan Frankrijk niet het gevaar loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 4 Handvest Pro. De weigeringsgrond van artikel 11 OLW Pro is daarom niet van toepassing.

9.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, moet de overlevering te worden toegestaan.

10.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.

11.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Procureur de la République près le Tribunal Judiciaire de Strasbourg(Frankrijk) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. M.M.L.A.T. Doll en A.K. Glerum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 24 mei 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam 30 mei 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3763.