ECLI:NL:RBAMS:2022:2957

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 mei 2022
Publicatiedatum
31 mei 2022
Zaaknummer
13/751155-20 (EAB I)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 10 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor drugsdelicten

De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 mei 2022 de vordering tot overlevering van een Poolse verdachte, gebaseerd op een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Regional Court of Toruń, Polen. De verdachte werd gezocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 1 jaar en 2 maanden wegens drugsdelicten, waarvan nog ruim een jaar restte.

De verdediging voerde aan dat de verdachte niet in persoon was verschenen bij het Poolse proces en niet op de hoogte was gesteld van de zittingsdatum, waardoor artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW) een weigeringsgrond zou vormen. De officier van justitie stelde echter dat het EAB vermeldde dat de verdachte persoonlijk was gedagvaard en op de hoogte was gesteld van de consequenties van afwezigheid.

De rechtbank oordeelde dat de informatie in het EAB betrouwbaar was en dat de enkele ontkenning van de verdachte onvoldoende was om de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro te doen gelden. Tevens werd vastgesteld dat de feiten dubbele strafbaarheid opleveren onder de Nederlandse Opiumwet. Gezien het voldoen aan alle wettelijke eisen en het ontbreken van andere weigeringsgronden, werd de overlevering toegestaan.

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751155-20 (EAB I)
RK nummer: 22/1407
Datum uitspraak: 24 mei 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 maart 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 oktober 2019 door
the Regional Court of Toruń(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,
verblijvende op het adres:
[adres opgeëiste persoon] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 mei 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis van de
District Court in Brodnicavan 9 november 2017 (referentienummer: II K 258/17).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 2 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 1 maand en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW Pro in de weg staat aan de overlevering van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon is niet aanwezig geweest bij het proces dat in Polen tot zijn veroordeling heeft geleid en heeft (direct na zijn aanhouding in Nederland) verklaard dat hij nooit in kennis is gesteld van de datum van de terechtzitting in Polen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden toegestaan. In het EAB staat dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. Er is geen reden om aan die informatie te twijfelen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Het EAB vermeldt echter dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard, dat hij de oproep voor de zitting in persoon heeft opgehaald en dat hij daarbij ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kon worden genomen als hij niet op het proces zou verschijnen. De rechtbank ziet geen reden om aan deze informatie te twijfelen. De enkele, niet onderbouwde ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe in ieder geval onvoldoende. Het voorgaande betekent dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is dus niet van toepassing. Het verweer wordt verworpen.

5.Strafbaarheid: Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod,
en:
handelen in strijd met een in artikel 3 van Pro de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, moet de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en 2, 5 en 7 van de OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court of Toruń(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. M.M.L.A.T. Doll en A.K. Glerum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 24 mei 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.