ECLI:NL:RBAMS:2022:3106

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 maart 2022
Publicatiedatum
6 juni 2022
Zaaknummer
13/328476-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 248d SrArt. 239 Sr
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs seksueel corrumperen jeugdigen

De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van seksueel corrumperen van meisjes onder de zestien jaar in de periode van januari tot november 2021. De tenlastelegging betrof onder meer het bewegen van meisjes getuige te zijn van seksuele handelingen en het doen van seksueel getinte opmerkingen en gebaren.

Tijdens de terechtzitting op 11 maart 2022 heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en de verdediging van verdachte. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie voorwaardelijk. De rechtbank oordeelde echter dat het bewijs onvoldoende was om te concluderen dat verdachte de meisjes daadwerkelijk heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, zoals vereist onder artikel 248d Sr.

De rechtbank stelde dat louter woordelijke uitlatingen van seksuele aard niet voldoende zijn en dat het dossier geen aanwijzingen bevatte dat verdachte een actieve handeling heeft verricht om de meisjes getuige te laten zijn. Ook was niet vastgesteld dat de meisjes daadwerkelijk jonger dan zestien jaar waren. Hoewel sommige gedragingen schennis van de eerbaarheid kunnen opleveren, zou een veroordeling daarvoor de grondslag van de tenlastelegging verlaten.

Daarom verklaarde de rechtbank het ten laste gelegde niet bewezen en sprak verdachte vrij. Dit vonnis werd gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam op 25 maart 2022.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij meisjes heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13/328476-21
Datum uitspraak: 25 maart 2022
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1980,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 maart 2022.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M.E. Woudman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.M.F.R. Ketwaru, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

2.1.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij:
-in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 14 oktober 2021 en/of
-op of omstreeks 15 oktober 2021 en/of
-op of omstreeks 30 oktober 2021 en/of
-op of omstreeks 22 november 2021
(telkens) te Amsterdam (telkens) een of meer meisjes, waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, (telkens) met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele
handelingen,
immers heeft/is hij verdachte
-in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 14 oktober 2021 achter een aantal jonge meisjes (in de leeftijd van 11 tot en met 14 jaar), waaronder [naam 1] , geboren op [geboortedag 2] 2008 en/of [naam 2] , geboren op [geboortedag 3] 2008 en/of [naam 3] , geboren op [geboortedag 4] 2008 en/of [naam 4] , geboren op [geboortedag 5] 2008 , aangefietst en/of gelopen en/of (in het Engels, althans deels in het Engels en/of deels in het Nederlands) die meisjes
aangesprokenen/of gevraagd of zij voor geld met hem mee naar huis wilden gaan
en/of
-op of omstreeks 15 oktober 2021 achter 5, in elk geval een aantal jonge meisjes (in de leeftijd van 11 tot en met 14 jaar), waaronder [naam 1] , geboren op [geboortedag 2] 2008 en/of [naam 2] , geboren op [geboortedag 3] 2008 en/of [naam 3] , geboren op [geboortedag 4] 2008 en/of [naam 4] , geboren op [geboortedag 5] 2008, aangefietst en/of gelopen en/of om heen heen gelopen en/of (in het Engels, althans deels in het Engels en/of deels in het Nederlands) naar die meisjes seksueel getinte voorstellen/opmerkingen en/of seksueel getinte gebaren gemaakt en/of tegen die meisjes gezegd: “Beautiful girls”, althans soortgelijke woorden en/of dat ze hoeren waren en dat ze niet voor hem kozen maar bij die vrouw gingen staan
en/of
-op of omstreeks 30 oktober 2021 naar een meisje, [naam 5] , geboren op [geboortedag 6] 2007 gelopen en/of in de nabijheid van die [naam 5] gaan staan en/of met zijn broek op zijn knieën en/of met zijn hand in zijn onderbroek heen en weer gaande bewegingen gemaakt
en/of
-op of omstreeks 22 november 2021 tegen vier, in elk geval een aantal meisjes (in de leeftijd van 14 en/of 15 jaar) gezegd: “I want eat your pussy” en/of “Then you can suck my dick”, althans woorden van dergelijke seksuele aard of strekking;
( art 239 ahf Pro/sub 2 Wetboek van Strafrecht )
2.2.
Hoewel onder de tenlastelegging artikel 239 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) staat vermeld verwijst de tekst van de tenlastelegging naar artikel 248d Sr. Desgevraagd heeft de officier van justitie ter terechtzitting bevestigd dat de tenlastelegging alleen ziet op het seksueel corrumperen als bedoeld in artikel 248d Sr.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde en gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden als door de reclassering in het rapport van 9 maart 2022 geadviseerd.

5.Vrijspraak

De rechtbank acht - anders dan de officier van justitie - het ten laste gelegde niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Zij overweegt daartoe als volgt.
Voor een veroordeling voor artikel 248d Sr dient te worden bewezen dat verdachte opzettelijk met ontuchtig oogmerk een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen. Het dient te gaan om daadwerkelijk uitgevoerde seksuele handelingen. Daaronder kunnen, anders dan de officier van justitie heeft gesteld, naar het oordeel van de rechtbank niet worden begrepen louter woordelijke uitlatingen van seksuele aard. Gelet daarop leveren de uitlatingen als ten laste gelegd onder het eerste, tweede en vierde gedachtestreepje, hoe verwerpelijk en onethisch ook, geen bewijs op dat verdachte de meisjes heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen.
Over het onder het vierde gedachtestreepje ten laste gelegde merkt de rechtbank bovendien nog op dat het proces-verbaal van de verbalisant over de leeftijd van de vier meisjes slechts vermeldt dat de verbalisant door vier meisjes van circa 13 à 14 jaar oud werd aangesproken. Nu (nader) onderzoek naar de leeftijd van de meisjes achterwege is gebleven, is niet komen vast te staan dat het hier gaat om een persoon of personen die de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt.
Over hetgeen onder het derde gedachtestreepje is ten laste gelegd overweegt de rechtbank dat hier het onderdeel ‘ertoe bewegen getuige te zijn’ in de aanhef niet kan worden bewezen, zodat verdachte ook hiervan wordt vrijgesproken. Uit de inhoud van het dossier valt naar haar oordeel namelijk niet af te leiden dat verdachte een actieve handeling heeft verricht die erop was gericht het minderjarige meisje getuige te laten zijn van de verweten feitelijke gedragingen. Uit de verklaringen van de opa en oma van het meisje blijkt immers niet dat verdachte iets heeft gedaan of gezegd om de aandacht van het meisje op zijn seksuele handelingen te richten.
Verder merkt de rechtbank hierover nog het volgende op. De ten laste gelegde feitelijke gedragingen, te weten het in het zicht van het minderjarige meisje met zijn broek op zijn knieën en met zijn hand in zijn onderbroek heen en weer gaande bewegingen maken, leveren wel schennis van de eerbaarheid op als bedoeld in artikel 239 Sr Pro. Omdat de officier van justitie echter ter terechtzitting desgevraagd heeft medegedeeld dat de tenlastelegging ziet op artikel 248d Sr en de tenlastelegging ook op deze wettelijke bepaling lijkt te zijn toegesneden, zou zodanige veroordeling betekenen dat de rechtbank de grondslag van de tenlastelegging zou verlaten.

6.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en A.R.P.J. Davids, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 maart 2022.