Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.[eiseres 1] ,
[eiseres 2],
1.De procedure
- het vonnis in het incident van 4 november 2020,
- conclusie van eis in tussenkomst (in de hoofdzaak na tussenkomst) van [intervenient] van 16 december 2020,
- de conclusie van antwoord in tussenkomst van [eiseres 1] en [eiseres 2] van 2 februari 2021,
- de conclusie van antwoord in tussenkomst van [gedaagde] van 3 februari 2021, met producties,
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling in de hoofdzaak van 29 oktober 2021 en de daarin vermelde stukken,
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling in de tussenkomst van 3 maart 2022.
2.De feiten
3.Het geschil
In de hoofdzaak
4.De beoordeling
In de hoofdzaak en in de tussenkomst
“de erfgenamen c.q. de kinderen”van [naam broer] moet worden overgedragen, maar tijdens de mondelinge behandeling van 29 oktober 2021 hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] verklaard dat het de bedoeling van [naam broer] was dat de woning na diens overlijden aan zijn kinderen zou worden overgedragen en niet aan [eiseres 1] . Dit betekent dat de gestelde mondelinge overeenkomst geen betrekking heeft op [eiseres 1] . De primaire vordering zal dus ten aanzien van [eiseres 1] worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor het deel van de vordering onder 3.1 sub c waarbij overdracht van de woning aan [eiseres 1] wordt gevorderd. Over de subsidiaire vordering onder 3.1 sub b komt de rechtbank hierna onder 4.18 te spreken.
“in de periode van 2008-2010 de verzorger en informele zaakwaarnemer was van de heer
5.De beslissing
15 juni 2022voor uitlating door [eiseres 2] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,
getuigenwil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden september tot en met december 2022 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
13 juli 2022voor het overleggen van
bescheidenzoals bepaald onder 4.13, 4.14 en 4.15, en eventuele andere
bewijsstukkenwaarop partijen een beroep zouden willen doen,