Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Waar het in deze zaak over gaat
2.Het onderzoek ter terechtzitting
3.De tenlastelegging
4.De waardering van het bewijs
5.Bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van de feiten
7.De strafbaarheid van verdachte
8.Jeugddetentie en de PIJ-maatregel
9.De in beslag genomen voorwerpen
10.De vordering benadeelde partij van [persoon 1]
- € 385,- voor het eigen risico in 2021;
- € 385,- voor het eigen risico in 2022;
- € 85,- voor parkeerkosten VU voor controles en handtherapie aldaar;
- € 310,- als daggeldvergoeding voor 10 dagen ziekenhuisopname ad € 31,- per dag (ter zitting van 13 oktober 2021 heeft de advocaat meegedeeld dat € 301,- wordt gevorderd);
- € 18.150,- voor de opgelopen studievertraging.
.De omvang van de immateriële schade zoals thans bekend zal op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid worden geschat op € 20.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in het resterende gedeelte van zijn vordering. De benadeelde kan het resterende gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter aanhangig maken.
11.Toepasselijke wettelijke voorschriften
12.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
jeugddetentievoor de duur van
511 (vijfhonderdelf) dagen.