Uitspraak
bijlagen, van mr. E. Walinga, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam, namens:
Rechtbank Amsterdam
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [schuldenaar] B.V. heeft een verzoek ingediend tot het gelasten van een afkoelingsperiode ex artikel 376 van Pro de Faillissementswet. Dit verzoek werd ingediend door mr. E. Walinga namens [schuldenaar], met als doel een akkoord aan schuldeisers aan te bieden binnen twee maanden.
De rechtbank stelt vast dat de startverklaring, vereist op grond van artikel 370 lid 3 Fw Pro, niet door of namens de schuldenaar is ingediend. De enige bestuurder, de heer [naam 2], was niet op de hoogte en heeft ook niet deelgenomen aan de zitting. Er is geen bewijs van een volmacht of statutaire regeling die de vertegenwoordiging door mr. Walinga of de heer [naam 1] rechtvaardigt.
Daarnaast is onvoldoende aannemelijk geworden dat het afkondigen van een afkoelingsperiode noodzakelijk is. Er zijn geen beslagen gelegd en er zijn geen andere rechtsmaatregelen van schuldeisers. De beoogde gecontroleerde afwikkeling biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende meerwaarde ten opzichte van een faillissement, mede vanwege onduidelijkheden over de beëindiging van de huurovereenkomst en de verkoop van activa.
De rechtbank concludeert dat het verzoek niet ontvankelijk is en wijst het af. De beschikking is op 14 juni 2022 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: Het verzoek tot het gelasten van een afkoelingsperiode wordt afgewezen wegens het ontbreken van een rechtsgeldige startverklaring en onvoldoende aannemelijkheid van een meerwaarde buiten faillissement.