ECLI:NL:RBAMS:2022:3831

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2022
Publicatiedatum
5 juli 2022
Zaaknummer
9920192 KK EXPL 22-337
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit gemeentelijke SchuldhulpverleningArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:92 lid 2 BWArt. 3:40 lid 2 BWArt. 6:233 BW
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontruiming wegens niet-naleving informatie- en meldplicht bij huurachterstand

Eiseres vorderde ontruiming van de woning en betaling van huurachterstand tegen gedaagden die niet verschenen en verstek lieten gaan. De rechtbank beoordeelde of de huurovereenkomst waarschijnlijk ontbonden zou worden in de bodemprocedure en concludeerde dat dit niet het geval was. Cruciaal was dat eiseres niet had voldaan aan de informatie- en meldplicht zoals voorgeschreven in artikel 2 van Pro het Besluit gemeentelijke Schuldhulpverlening, waardoor onvoldoende aannemelijk was dat zij redelijke maatregelen had getroffen om ontbinding en ontruiming te voorkomen.

Daarnaast werd de gevorderde boete van € 2.000 wegens overtreding van de huurovereenkomst afgewezen omdat het boetebeding als algemene voorwaarde onredelijk bezwarend en daarmee nietig werd beoordeeld op grond van het consumentenrecht en de Richtlijn oneerlijke bedingen. De rechtbank wees ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente af vanwege het ontbreken van een correcte betalingstermijn en het wegvallen van het boetebeding.

Uiteindelijk veroordeelde de rechtbank gedaagden hoofdelijk tot betaling van de huurachterstand van € 2.080 tot en met juni 2022 en in de proceskosten, terwijl de ontruimingsvordering en overige vorderingen werden afgewezen. De veroordelingen werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming en boete wordt afgewezen, alleen de huurachterstand en proceskosten worden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 9920192 KK EXPL 22-337
vonnis van: 7 juli 2022
func.: 991

vonnis van de kantonrechterkort geding

i n z a k e

[eiseres]

wonende te [woonplaats 1]
eiseres
nader te noemen: [eiseres]
gemachtigde: mr. B.A.M. Hampsink
t e g e n

1. [gedaagde 1]

2. [gedaagde 2]

beiden wonende te [woonplaats 2]
gedaagden
nader te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
niet verschenen

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 10 juni 2022, met producties, heeft [eiseres] een voorziening gevorderd.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 juni 2022. [eiseres] is in persoon verschenen, vergezeld door haar gemachtigde. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend. [eiseres] heeft op voorhand aanvullende stukken in het geding gebracht. [eiseres] heeft ter zitting haar standpunt nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

De vordering komt niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens voor het geval een deel van het gevorderde niet is toegewezen en/of hieronder anders is overwogen.
Ter zitting heeft [eiseres] haar eis verminderd met een bedrag van € 4.800,00 in verband met een ontvangen betaling van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] .
[eiseres] heeft ontruiming van het gehuurde gevorderd. Er moet worden beoordeeld of het te verwachten is dat de rechter in de bodemprocedure de huurovereenkomst zal ontbinden. Dat is niet het geval. Bij de beoordeling van de vraag of de vordering tot ontbinding, mede gelet op de gevolgen daarvan, moet worden toegewezen, dienen alle omstandigheden te worden meegewogen. [eiseres] heeft erkend dat niet is voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro het sinds 1 januari 2021 geldende Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. [eiseres] heeft geen brief, waaruit blijkt dat aan de informatieverplichtingen is voldaan, aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verzonden en heeft erkend dat zij de huurachterstand van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet heeft gemeld bij de gemeente. Hierdoor is voorshands onvoldoende gebleken dat [eiseres] redelijke maatregelen heeft genomen die erop gericht zijn ontbinding en ontruiming te voorkomen en aldus aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. De vordering tot ontruiming zal daarom worden afgewezen.
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet (voldoende duidelijk) uit de overgelegde aanmaning gebleken is dat aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst van de aanmaning, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW Pro. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.
[eiseres] vordert een boete van € 2.000,00 op grond van artikel 11.2 van de huurovereenkomst. Dat artikel luidt als volgt:
Voor iedere overtreding van een verplichting uit deze huurovereenkomst en bijbehorende algemene bepalingen, voor zover niet reeds hiervoor in artikel 11.1 genoemd, is huurder aan verhuurder een direct opeisbare boete van € 10,= per kalenderdag verschuldigd, met een maximum van € 2.000,=, onverminderd zijn gehoudenheid om alsnog aan deze verplichting te voldoen en onverminderd verhuurders recht op (aanvullende) schadevergoeding. Indien verhuurder een professionele partij is, is dit artikel 11.2 niet van toepassing.
Het beding op grond waarvan de boete wordt gevorderd betreft een algemene voorwaarde. Nu uit de dagvaarding blijkt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] consumenten zijn, zal de kantonrechter grond van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie te Luxemburg ambtshalve hebben te beoordelen of het beding vanwege zijn onredelijk bezwarende karakter nietig is. Ingevolge artikel 3 lid 3 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen kunnen als oneerlijk worden aangemerkt onder meer de bedingen die zijn opgenomen in de bijlage bij deze richtlijn. Tot die bedingen behoort het beding (artikel 1 aanhef Pro en onder e) dat tot doel of tot gevolg heeft ‘de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen’. Hoewel de boete is gelimiteerd, staat het bedrag naar het oordeel van de kantonrechter, mede gezien het zeer algemene karakter van de overtreding waar de boete op is gesteld, niet in een redelijke verhouding tot de geleden schade. Matiging is niet mogelijk. Dit betekent dat het beding op grond van artikel 3:40 lid 2 BW Pro in verbinding met artikel 6:233 aanhef Pro en onder a. BW oneerlijk en daarmee nietig is. De op grond daarvan gevorderde boete wordt afgewezen.
Uit het arrest van het HvJ EU van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 volgt dat indien een bedongen boete vanwege het oneerlijke karakter daarvan buiten beschouwing moet worden gelaten, geen aanspraak kan worden gemaakt op de in een bepaling van aanvullend nationaal recht vastgestelde wettelijke schadevergoeding die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest. Nu een boete wordt geacht in de plaats te treden van schadevergoeding op grond van de wet, te weten de wettelijke rente, (zie ook artikel 6:92 lid 2 BW Pro), wordt de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand afgewezen.
[eiseres] en [gedaagde 1] worden als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, dus als de één (een deel) betaalt, is de ander dat (deel van het) bedrag niet meer verschuldigd, tot betaling aan [eiseres] van € 2.080,00 aan huurachterstand, berekend tot en met de maand juni 2022;
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, dus als de één (een deel) betaalt, is de ander dat (deel van het) bedrag niet meer verschuldigd, in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op:
kosten van twee exploten € 250,06
salaris gemachtigde € 498,00
griffierecht € 244,00
-------------
totaal € 992,06
voor zover van toepassing, inclusief btw;
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, dus als de één (een deel) betaalt, is de ander dat (deel van het) bedrag niet meer verschuldigd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 62,00 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, bij diens afwezigheid ondertekend door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2022.
De griffier De kantonrechter