ECLI:NL:RBAMS:2022:4199
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens extreme overschrijding redelijke termijn in jeugdstrafzaak oplichting en witwassen
De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 juli 2022 een zaak tegen een verdachte die werd verdacht van oplichting via internet en witwassen in de periode 2014-2018. De verdachte werd voor het eerst verhoord op 25 april 2017. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn van 16 maanden voor jeugdigen met bijna 63 maanden was overschreden, een overschrijding van 47 maanden.
De rechtbank oordeelde dat ondanks dat de verjaring niet was ingetreden, de extreme termijnoverschrijding een ernstige inbreuk op het recht op een eerlijk proces betekende. De Hoge Raad hanteert een strenge lijn waarbij overschrijding meestal leidt tot strafvermindering, maar de rechtbank volgde de meer recente jurisprudentie die bij zeer extreme overschrijding niet-ontvankelijkheid kan rechtvaardigen.
De rechtbank benadrukte het pedagogische doel van het jeugdstrafrecht en dat de lange vertraging de positieve ontwikkeling van de verdachte, inmiddels 25 jaar en studerend in het buitenland, zou schaden. Ook werd meegewogen dat de maatschappelijke belangen bij vervolging minder zwaar wegen dan het belang van de verdachte bij het niet verstoren van haar ontwikkeling.
Gelet op deze omstandigheden verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Tevens werden de civiele vorderingen van de benadeelde partijen afgewezen wegens het ontbreken van ontvankelijkheid van het OM.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens een extreme overschrijding van de redelijke termijn met 47 maanden.