Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
1. Procesdeelnemers
2.Prejudiciële verwijzing
PbEG2002, L 190/1, zoals gewijzigd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ,
PbEU2009, L 81/24.
Stb. 2004, 195, zoals nadien gewijzigd, strekt tot uitvoering van Kaderbesluit 2002/584/JBZ.
b, kan voor ten hoogste tien dagen geschieden.
toegestaan, maar niet later dan tien dagen na de datum van deze uitspraak, wordt de opgeëiste persoon feitelijk overgeleverd. De officier van justitie bepaalt, na overleg met de uitvaardigende justitiële autoriteit, de tijd en plaats.
Sąd Okręgowy w Krakowie Wydział III Karny(
District Court in Krakow, Third Criminal Division) (Polen) een EAB uitgevaardigd tegen de opgeëiste persoon met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, waarvan volgens dat EAB nog één jaar, elf maanden en zeventwintig dagen resteren. Deze vrijheidsstraf is opgelegd voor dertien strafbare feiten die vallen onder de categorie “georganiseerde of gewapende diefstal” als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Ter uitvoering van dat EAB is de opgeëiste persoon op 9 april 2022 aangehouden.
4 oktober 2022. Tegen de uitspraak in hoger beroep staat het rechtsmiddel van beroep in cassatie open voor het Openbaar Ministerie en voor de opgeëiste persoon.
C en CD (Obstacles juridiques à l’exécution d’une décision de remise). [1] De rechtbank zal beginnen met de vraag die de meest verstrekkende gevolgen kan hebben voor de nationale wetgeving en praktijk.
in progress” is en dat de overleveringsprocedure met onvoldoende voortvarendheid wordt gevoerd. Bij uitstel van de overlevering bestaat immers zicht op en een voldoende nauwe band met de daadwerkelijke overlevering, omdat vaststaat dat de overlevering – uiteindelijk – moet en zal plaatsvinden. De uitkomst van de strafvervolging in de uitvoerende lidstaat kan in geen geval afdoen aan die verplichting. Gelet op artikel 6 van Pro het Handvest mag echter de totale duur van de hechtenis niet buitensporig zijn. [4] Op grond van de nationale regeling toetst de rechtbank daarom op vordering van de officier van justitie periodiek – dat wil zeggen om de dertig dagen – en, in voorkomend geval, tussentijds op verzoek van de opgeëiste persoon [5] of de hechtenis kan worden verlengd en/of moet worden geschorst/opgeheven.
tweedevraag uitgaat van deze uitleg, vindt de rechtbank het uit het oogpunt van transparantie en proceseconomie wenselijk om die uitleg expliciet, in de vorm van een prejudiciële vraag, aan het Hof van Justitie voor te leggen.
Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrift) [6] heeft het Hof van Justitie overwogen dat een Nederlandse officier van justitie niet kan worden beschouwd als een uitvoerende rechterlijke autoriteit in de zin van – onder meer – artikel 6, tweede lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, omdat hij volgens artikel 127 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie individuele instructies kan ontvangen van de Nederlandse Minister van Justitie en Veiligheid. [7] Ook ten tijde van deze tussenbeslissing heeft de minister nog steeds de bevoegdheid om individuele instructies te geven aan leden van het Openbaar Ministerie.
C en CD (Obstacles juridiques à l’exécution d’une décision de remise)vragen op over de uitleg van enkele bepalingen van Kaderbesluit 2002/584/JBZ.
de facto(een groot deel van zijn) vrijheidsstraf in de uitvoerende lidstaat, terwijl de uitvaardigende lidstaat geen aanleiding heeft gezien om Kaderbesluit 2008/909/JBZ toe te passen en de uitvoerende rechterlijke autoriteit geen aanleiding heeft gezien om de weigeringsgrond van artikel 4, punt 6, van Kaderbesluit 2002/5984/JBZ toe te passen. Een dergelijke
de factotenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in de uitvoerende lidstaat draagt niet bij aan het verhogen van de kansen van de opgeëiste persoon op sociale re-integratie in de uitvaardigende lidstaat.
SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat)heeft het Hof van Justitie in dat verband overwogen dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de terugkeer niet “stelselmatig en automatisch” mag uitstellen “totdat de andere procedurele stappen in het kader van de strafprocedure met betrekking tot het strafbare feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, definitief zijn afgrond”. [13] In plaats daarvan moet zij beoordelen “of sprake is van concrete redenen in verband met de eerbiediging van de rechten van de verdediging van de betrokkene of de goede rechtsbedeling, die het noodzakelijk maken dat hij in de beslissingsstaat blijft nadat de veroordeling onherroepelijk is geworden en totdat een definitieve beslissing is genomen in andere procedurele stappen in het kader van de strafprocedure betreffende het strafbare feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt”. [14] Daarbij moet zij “rekening houden met de mogelijkheid om de mechanismen voor samenwerking en wederzijdse bijstand aan te wenden die op strafrechtelijk gebied uit hoofde van het Unierecht bestaan (...)”. [15]
SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat)naar analogie van toepassing zijn, levert echter naar het oordeel van de rechtbank geen “acte clair” op.