Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 8 juni 2022;
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 21 juli 2022.
Rechtbank Amsterdam
Partijen, die een affectieve relatie hadden en samenwoonden, hebben begin 2021 hun relatie verbroken. Zij sloten in 2002 een samenlevingsovereenkomst waarin afspraken zijn gemaakt over kosten, gemeenschappelijke goederen en woning. De man vordert toedeling van de woning aan hem onder voorwaarden, waaronder betaling van de overwaarde in termijnen, terwijl de vrouw verkoop van de woning verlangt.
De rechtbank overweegt dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen, zodat de verdeling volgens artikel 3:185 BW Pro door de rechter moet worden vastgesteld. Uitgangspunt is de waarde van de woning op het moment van verdeling. De man toont onvoldoende aan dat hij de woning kan financieren en de vrouw kan ontslaan van hoofdelijke aansprakelijkheid. De waarde van de kapitaalverzekering wordt als gemeenschappelijk vermogen gelijk verdeeld.
De rechtbank gelast daarom de verkoop van de woning via AVT Makelaars te Diemen, waarbij partijen gezamenlijk de verkoopprijs bepalen. Indien zij niet overeenkomen, stelt de makelaar de prijs vast. De verkoopopbrengst wordt na aflossing van de hypotheek gelijk verdeeld. De man wordt veroordeeld tot een dwangsom van €500 per dag bij niet-naleving, tot een maximum van €25.000. Proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.
Uitkomst: De rechtbank gelast verkoop van de woning en verdeelt de opbrengst gelijkelijk, wijst toedeling aan de man af wegens onvoldoende financieringsbewijs en legt een dwangsom op bij niet-naleving.