Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
phishing, hackingen het grootschalige witwassen van de hieruit onrechtmatig verkregen inkomsten met als pleegplaatsen Wetteren, Mechelen, Aalter, elders in het Belgische rijk en in Nederland. De rol van de opgeëiste persoon zou zijn dat hij optreedt als tussenpersoon en aansturing geeft aan hoofdzakelijk Belgische geldezelronselaars en
cashers.
4.Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro
- Het onderzoek is in België aangevangen;
- Het bewijs bevindt zich in België;
- De verdachten hebben zich voorgedaan als een Belgische bank;
- De medeverdachten worden vervolgd in België;
- Het Nederlandse Openbaar Ministerie is niet voornemens de feiten te vervolgen.
6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9 OLW Pro
phishingafkomstig is, kan er wellicht sprake zijn van overlap. Ook bij de tweede zaak, waarbij de opgeëiste persoon € 2200,95 op 25 oktober 2019 in Amsterdam zou hebben witgewassen, is het onduidelijk of het geldbedrag uit
phishingafkomstig is. De officier van justitie verzoekt daarom, indien de rechtbank concludeert dat sprake is van overlap tussen deze twee feiten en de feiten waarvoor overlevering is verzocht, om deze twee feiten uit te sluiten van de vervolging in België. De derde zaak, waarbij de opgeëiste persoon op 30 mei 2018 in Zoetermeer diefstal met geweld zou hebben gepleegd en fraude met online handel op een onbekende datum en plaats zou hebben gepleegd, is geseponeerd. Een sepot is echter geen eindbeslissing, waardoor het
ne bis in idem-beginsel niet is geschonden. Ook blijkt niet uit het proces-verbaal dat het gaat om hetzelfde feit als de feiten waarop verdenking van de opgeëiste persoon in België ziet. Er is in ieder geval geen sprake van overlap als bedoeld in artikel 9 OLW Pro. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om de overlevering toe te staan.
8.Beslissing
onbepaalde tijd– met dien verstande dat de zaak voor het verstrijken van de (op grond van artikel 22, derde lid, OLW verlengde) beslistermijn (te weten: 20 september 2022) weer op zitting moet worden aangebracht – teneinde de officier van justitie in gelegenheid te stellen de hiervoor onder 7 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.