De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot overlevering van een verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Trier. De verdachte wordt verdacht van poging tot diefstal met gebruik van springstof (plofkraak) in november 2020. De raadsman voerde aan dat het EAB onvoldoende informatie bevatte en dat de verdachte de gevangenisstraf liever in Duitsland wil uitzitten vanwege gunstigere voorwaardelijke invrijheidstelling en betere resocialisatiemogelijkheden.
De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende gegevens bevat om de identiteit van de verdachte en de aard van het strafbare feit vast te stellen, en verwierp het verweer over de ontoereikendheid van het EAB. Tevens werd vastgesteld dat het strafbare feit ook onder Nederlands recht strafbaar is, waardoor de dubbele strafbaarheidseis is vervuld.
Hoewel de verdachte de Nederlandse nationaliteit bezit en een terugkeergarantie is afgegeven dat hij een eventuele gevangenisstraf in Nederland kan uitzitten, besloot de rechtbank op grond van artikel 6a OLW geen gevolg te geven aan deze garantie. De rechtbank vond de wens van de verdachte om de straf in Duitsland uit te zitten zwaarwegend en zag geen reden om hiervan af te wijken.
De overlevering wordt daarom toegestaan, waarbij Duitsland niet verplicht is de straf in Nederland te laten uitvoeren. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.