De gemeente Uithoorn legde een vrouw kosten op voor het onjuist aanbieden van een doos restafval bij het grofvuil. Toezichthouders hadden de doos met haar naam en adres aangetroffen, waarna bestuursdwang werd toegepast en de kosten werden verhaald.
De vrouw voerde aan dat zij op de dag van constatering en de dagen ervoor niet in de gemeente was en dat het onlogisch was dat zij het afval op die plek zou hebben achtergelaten. De rechtbank stelde vast dat de gemeente niet voldeed aan de vereisten voor een geldige rapportage van de toezichthouder en dat de bewijslast omgekeerd was, waarbij de vrouw aannemelijk moest maken dat zij niet de overtreder was.
De rechtbank oordeelde dat de vrouw voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet verantwoordelijk was voor het afval, mede vanwege haar afwezigheid en afstand tot de vindplaats. De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat de gemeente het griffierecht aan de vrouw moest vergoeden.