ECLI:NL:RBAMS:2022:5764

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 oktober 2022
Publicatiedatum
7 oktober 2022
Zaaknummer
13/178577-22 (EAB II)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 13 OLW
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks onschuldverweer en proportionaliteitsbedenking

De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 september 2022 de vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De verdachte betwistte zijn betrokkenheid bij de ten laste gelegde fraude, maar kon dit onschuldverweer niet onderbouwen tijdens de zitting.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de verdachte en bevestigde dat het EAB voldoet aan de voorwaarden van de Overleveringswet (OLW). De verdachte voerde aan dat de feiten deels in Nederland zouden zijn gepleegd, wat een weigeringsgrond ex artikel 13 OLW Pro zou kunnen opleveren, maar de rechtbank vond onvoldoende aanwijzingen hiervoor.

Ook werden bezwaren op grond van proportionaliteit en subsidiariteit door de verdediging geuit, waarbij werd gesteld dat de verdachte sinds 2019 in Nederland woont en bereid is mee te werken aan een Europees Onderzoeksbevel. De rechtbank verwierp deze verweren, stellende dat het vertrouwensbeginsel in de Poolse justitie prevaleert.

Hoewel er structurele zorgen zijn over de Poolse rechtsorde en het recht op een eerlijk proces, concludeerde de rechtbank dat er geen concreet individueel gevaar is dat dit de zaak van de verdachte zal beïnvloeden. Daarom werd de overlevering toegestaan en is tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks onschuldverweer en proportionaliteitsbedenking.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/178577-22 (EAB II)
RK nummer: 22/3590
Datum uitspraak: 4 oktober 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 juli 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 maart 2021 door de
Sąd Okręgowy w Piotrkowie Trybunalski (Piotrków Trybunalski Regional Court),Polen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1997,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 september 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W.M. Kromme, advocaat te Ridderkerk, en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een bevel tot voorlopige hechtenis van de
Radomsko District Courtvan 26 februari 2021 (referentienummer: II Kp 41/21; PR Ds. 1723.2019
at the Radomsko Public District Prosecution Service).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Strafbaarheid: Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW.
De feiten vallen op deze lijst onder nummer 8, te weten:
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

5.Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond.
De onschuldbewering kan reeds om die reden niet leiden tot weigering van de overlevering.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro aan de orde is. De strafbare feiten zouden volgens het EAB zijn gepleegd in de periode van 17 maart 2019 tot 15 juli 2019, terwijl de opgeëiste persoon op 8 mei 2019 naar Nederland is gekomen. Als hij al bij de feiten is betrokken, dan zou hij de feiten geheel of gedeeltelijk vanuit Nederlands grondgebied hebben gepleegd.
Met de officier van justitie en anders dan de raadsman, ziet de rechtbank in het EAB onvoldoende aanwijzingen voor de conclusie dat de feiten deels of geheel op Nederlands grondgebied zouden zijn gepleegd. De weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro is dan ook niet aan de orde.

7.Proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel

De raadsman heeft gesteld dat overlevering in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel, omdat het gaat om relatief geringe feiten en de opgeëiste persoon sinds mei 2019 een bestaan in Nederland heeft opgebouwd. Ook is het verzoek in strijd met het subsidiariteitsbeginsel, nu er minder vergaande mogelijkheden voor de hand liggen. Zo is de opgeëiste persoon bereid om zijn medewerking te verlenen aan een Europees Onderzoeksbevel (EOB).
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verweren, die naar de rechtbank begrijpt inhouden dat de overlevering onevenredig zou zijn, niet slagen.
Gelet op het vertrouwensbeginsel moet de rechtbank ervan uitgaan dat de Poolse rechter niet lichtvaardig van het instrument van het EAB gebruik maakt en bij de uitvaardiging van het EAB in het bijzonder de evenredigheid van de uitvaardiging daarvan heeft getoetst. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan dit uitgangspunt worden verlaten. Hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht is daarvoor niet voldoende. De rechtbank verwerpt de verweren.
8. Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [1]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [2]

9.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

10.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.

11.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Sąd Okręgowy w Piotrkowie Trybunalski (Piotrków Trybunalski Regional Court),Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 4 oktober 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
2.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (