ECLI:NL:RBAMS:2022:583

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2022
Publicatiedatum
15 februari 2022
Zaaknummer
RK 21/1360
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 lid 1 SvArt. 533 SvWet Wapens en Munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding kosten rechtsbijstand na beleidssepot wegens wapenbezit

Verzoeker werd op 13 november 2014 aangehouden op verdenking van overtreding van de Wet Wapens en Munitie. De strafzaak tegen hem werd op 28 juli 2020 onvoorwaardelijk geseponeerd door het Openbaar Ministerie. Verzoeker diende binnen drie maanden na het sepot een verzoek in op grond van artikel 530 Sv Pro tot vergoeding van de kosten van zijn raadsman en de kosten voor het opstellen en behandelen van het verzoekschrift.

De rechtbank oordeelde dat het beleidssepot als een einde van de zaak geldt en dat het verzoek tijdig was ingediend. Hoewel verzoeker zelf de wapens in bewaring had gekregen van zijn zoon, achtte de rechtbank het billijk om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden, omdat rechtsbijstand een fundamenteel onderdeel is van de rechtsstaat.

De rechtbank wees de gevraagde vergoeding van €2.322,69 voor de raadsman en €680,- voor het verzoekschrift toe. Het standpunt van het Openbaar Ministerie dat verzoeker bewust was van de wapens en dat de kosten voor zijn rekening moesten blijven, werd verworpen. De beschikking werd openbaar uitgesproken op 27 januari 2022 door rechter H.E. Hoogendijk.

Uitkomst: De rechtbank kent verzoeker een vergoeding van €3.002,69 toe voor kosten van rechtsbijstand na beleidssepot.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13//706379-15
RK: 21/1360
Beschikking op het verzoek ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,
mr. J.A.C. van den Brink, [kantooradres] .
verzoeker.

De procesgang

Het verzoekschrift is op 12 maart 2021 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Op 29 maart 2021 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 27 januari 2022 de gemachtigd raadsman en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.
Verzoeker is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

De inhoud van het verzoekschrift

Het verzoek strekt daarnaast tot het toekennen van een vergoeding van € 2.322,69 voor de kosten van de raadsman en € 680,- voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.
In raadkamer heeft de raadsman ter aanvulling op het verzoekschrift en naar aanleiding van het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – kort samengevat – het volgende aangevoerd. De destijds in het huis van klager en zijn partner aangetroffen wapens had klager in bewaring voor zijn zoon. De raadsman is anders dan de officier van justitie van mening dat het niet evident is dat het tot een veroordeling zou hebben geleid en klager zich ook niet heeft kunnen verdedigen nu de zaak tegen hem is geseponeerd met een beleidssepot. Er zijn dan ook gronden van billijkheid voor toewijzing van de gevraagde kosten voor rechtsbijstand.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – met verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen het toekennen van de standaardvergoeding. Klager was zich bewust van de aanwezigheid van nepwapens in zijn huis. De strafzaak is afgedaan met een beleidssepot. Daarbij is rekening gehouden met de belangen van verzoeker. Er zijn geen gronden van billijkheid voor toewijzing van een vergoeding. Deze kosten voor rechtsbijstand zijn voor risico van klager en dienen niet ten laste van de staat te komen.

De beoordeling

Verzoeker is op 13 november 2014 aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van overtreding van de Wet Wapens en Munitie.
De officier van justitie heeft de strafzaak tegen verzoeker onvoorwaardelijk is geseponeerd en dat bij brief van 28 juli 2020 aan hem meegedeeld.
Indien de zaak tegen een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan op verzoek van de gewezen verdachte op grond van artikel 530 lid 2 Sv Pro, aan hem, uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade, die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman.
Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak.
Op grond van artikel 534 lid 1 Sv Pro heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De strafzaak tegen verzoeker is op 28 juli 2020 onvoorwaardelijk geseponeerd. Een onvoorwaardelijk sepot dient te worden aangemerkt als een ‘einde zaak’ in de zin van artikel 533 en Pro 530 Sv.
Nu klager naar eigen zeggen de kennisgeving sepot pas eind december 2020 heeft ontvangen en er geen akte van betekening in het dossier zit, kan klager ontvangen worden in zijn verzoek.
Het verzoek is tijdig ingediend.
Op grond van het arrest van het gerechtshof te Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2021:3392) mag de rechtbank zich niet inlaten met de vraag of verzoeker al dan niet schuldig is, en dient op basis van alle feiten en omstandigheden te worden afgewogen of het in dit geval billijk is om de kosten voor rechtsbijstand toe te kennen. Verzoeker heeft een doos met goederen met (nep)wapens van zijn zoon in bewaring gekregen en gehouden achter een schot op zolder. Hoewel verzoeker zich zelf in die situatie heeft gemanoeuvreerd, is de rechtbank van oordeel dat rechtsbijstand een belangrijk onderdeel is van de rechtstaat en is het billijk deze kosten in deze situatie te vergoeden. Dit zou anders kunnen zijn indien verzoeker om een schadevergoeding zou vragen in verband met ondergane inverzekeringstelling omdat hij die aan zichzelf zou hebben te wijten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ondanks het beleidssepot en de omstandigheden van deze strafzaak er gronden van billijkheid zijn om de gemaakte kosten voor rechtsbijstand toe te kennen.
De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman. De opgegeven kosten worden gestaafd door de overgelegde urenspecificatie en declaraties. De gevraagde vergoeding zal dan ook worden toegekend.
De rechtbank zal voor het opmaken, indienen en behandelen van het verzoekschrift de standaardvergoeding toekennen.
De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De beslissing

De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 2.322,69 (tweeduizend driehonderdtweeëntwintig euro en zesennegentig eurocent) voor de kosten van de raadsman.
De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 680,- (zeshonderdtachtig euro) voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.
Deze beslissing is gegeven door
mr. H.E. Hoogendijk, rechter,
in tegenwoordigheid van A. Gordon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2022.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open, voor de officier van justitie binnen veertien dagen
en voor verzoeker binnen een maand na betekening van deze beschikking,
in te stellen ter griffie van deze rechtbank.
De rechtbank Amsterdam, enkelvoudige kamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 3.002,69 (drieduizend twee euro en negenenzestig eurocent) op IBAN-nummer [IBAN-nummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Groen Caubo Montessori Advocaten, onder vermelding van vergoeding 530 Sv, inzake: [kenmerk]
Aldus gedaan op 27 januari 2022
door mr. H.E. Hoogendijk, rechter.