De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van mensenhandel door seksuele uitbuiting van een vrouw op de Wallen in de periode van mei 2004 tot november 2011. De officier van justitie eiste een integrale bewezenverklaring, gesteund op verklaringen van het slachtoffer, geldtransacties, politiecontacten, geluidsopnames en een getuigenverklaring.
De verdediging betwistte de uitbuiting en de betrokkenheid van verdachte, stellende dat de belastende informatie uitsluitend van het slachtoffer kwam en dat het steunbewijs subjectief en niet onafhankelijk was. De rechtbank oordeelde dat hoewel de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar en consistent waren, het bewijs onvoldoende was om de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.
De rechtbank stelde dat de verklaringen van het slachtoffer onvoldoende werden ondersteund door objectief en onafhankelijk bewijs. De mutaties en transacties betroffen slechts het einde van de periode, de geluidsopnames waren niet objectief te dateren en de getuigenverklaring was grotendeels een 'de auditu'-verklaring. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat verdachte de rol had die hem werd toegedicht.
De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel was opgelegd. Beide partijen dragen hun eigen kosten.