Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter
[eiseres] ,
[gedaagde] ,
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
- de conclusie van antwoord met producties;
- dagbepaling mondelinge behandeling.
eenbrief van 18 maart 2022 met producties en een brief van 25 april 2022 met producties toegezonden.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
18 september 2020 een brief gestuurd aan deze rechtbank. In deze brief schrijft zij onder meer:
“De rechtbank overweegt dat de vader stelt dat [minderjarige] heeft aangegeven dat hij op dit moment geen contact wil met zijn moeder. Ook in de brief van JBRA [Jeugdbescherming, ktr] van 15 september 2020 wordt vermeld dat [minderjarige] dit te kennen heeft gegeven.”
Geschil
- om per direct haar brief van 15 september 2020 aan de rechtbank Amsterdam terug te trekken en te bepalen dat [gedaagde] in een brief aan de rechtbank Amsterdam en het Gerechtshof Amsterdam dient te verklaren dat de dingen in haar brief die zij beweert over [eiseres] onwaar zijn en dat zij die van horen zeggen heeft (van de vader) en dat het geen eigen observaties zijn, noch dat zij dit bij [eiseres] heeft gecheckt of haar hiermee heeft geconfronteerd en dat [gedaagde] de rechtbank Amsterdam dient te verzoeken de beschikking op dit punt aan te passen en dat zij het Gerechtshof Amsterdam dient te verzoeken om de brief buiten de beoordeling van de zaak te laten, op straffe van een dwangsom;
- binnen een maand aan de vader van [minderjarige] een brief te schrijven, waarin zij de vader wijst op zijn wettelijke verplichting om de band tussen [minderjarige] en zijn moeder te bevorderen en als de vader daartoe geen stappen zet, [gedaagde] te veroordelen om aan de rechtbank Amsterdam een uithuisplaatsing bij vader te verzoeken, dan wel andere rechtsmaatregelen te treffen;
- tot betaling van een schadevergoeding van € 10.000,--;
- in de proceskosten.
Beoordeling
18 september 2020 en dat zij daarom de brief op voorhand aan de rechtbank heeft toegezonden. Ook als Jeugdbescherming niet zou zijn uitgenodigd door de rechtbank, zoals [eiseres] stelt, dan nog moet worden geconcludeerd dat de rechtbank de brief heeft aangemerkt als processtuk. Slotsom is dan ook dat Jeugdbescherming van het sturen van de brief geen verwijt valt te maken. De gevorderde schadevergoeding is dan ook niet toewijsbaar, nog los van het feit dat [eiseres] onvoldoende heeft toegelicht dat zij door deze brief schade heeft geleden. Dit geldt temeer nu de eindbeslissing over de omgang door de rechtbank is genomen na de rapportage van de bijzondere curator en niet reeds bij tussenbeslissing van 14 januari 2022.
15 september 2020.