De rechtbank Amsterdam behandelde op 15 september 2022 de vordering tot overlevering van een persoon aan Italië op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank van Brescia. De opgeëiste persoon werd verdacht van deelname aan een georganiseerde criminele organisatie die zich bezighoudt met grootschalige internationale drugshandel.
De verdediging voerde onder meer aan dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens procedurele tekortkomingen bij de aanhouding en dat het EAB onvoldoende specifiek was. De rechtbank verwierp deze bezwaren, oordeelde dat de identiteit van de opgeëiste persoon was vastgesteld en dat het EAB voldeed aan de wettelijke vereisten, waaronder voldoende omschrijving van de feiten, plaats en tijd.
Verder stelde de rechtbank vast dat de detentieomstandigheden in Italië geen beletsel vormen voor overlevering, mede vanwege algemene garanties van de Italiaanse autoriteiten. Er waren geen weigeringsgronden en het specialiteitsbeginsel werd gewaarborgd. De rechtbank besloot de overlevering toe te staan en wees op het ontbreken van een rechtsmiddel tegen deze uitspraak.