Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[gedaagde 2],
[gedaagde 3],
1.De procedure
- de dagvaarding van 15 februari 2022, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 25 mei 2022 waarbij een mondelinge behandeling is gelast,
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 13 oktober 2022, en de daarin opgenomen proceshandelingen en processtukken.
2.De feiten
“ [eiser] , freelance journalist, heeft de informatie die is ontvreemd bij de AIVD aangeboden aan het dagblad de Telegraaf. Zij willen niet alles publiceren. Thans biedt [eiser] die informatie aan aan andere media. [eiser] bewaart de AIVD informatie bij hem thuis”
(…)'.
3.Het geschil
4.De beoordeling
- inbreuk op zijn goede naam (immateriële schade);
- bedreigingen door derden (immateriële schade);
- derving van inkomsten (materiële schade).
In de dagvaarding betoogt [eiser] evenwel dat “niet ondenkbaar” was dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] er te goeder trouw van uitgingen dat [eiser] de “bron achter de bron” van de STG-stukken was en dat degene die de STG-stukken aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] had verstrekt dit mogelijk ten onrechte tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] had gezegd. Hij zou dan pas in 2019 hebben begrepen dat ze daar niet van uitgingen, en dat ze dus, zoals hij het stelt, te kwader trouw waren. Deze redenering komt gekunsteld over. [eiser] heeft niets gesteld dat ook maar enigszins aannemelijk maakt dat hij destijds dacht dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ervan uitgingen dat hij de “bron achter de bron” was. De rechtbank stelt daarom vast dat [eiser] in 2006 wist dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] wisten dat de beschuldiging in het proces-verbaal onjuist was.
- Nergens wordt gesteld of gesuggereerd dat de bewering dat [eiser] de stukken aanbod aan De Telegraaf wordt gesteund door iets anders dan het proces-verbaal.
- Nergens wordt zelfs maar gesuggereerd dat de journalisten onderzoek hebben gedaan naar de in het proces-verbaal tegen [eiser] geuite beschuldiging, anders dan dat zij [eiser] hebben gevraagd om een reactie, die in het artikel is opgenomen. Het artikel doet niets meer dan het nieuws brengen van wat er in het proces-verbaal staat.
- Ten slotte wordt in het artikel gesteld noch gesuggereerd dat de journalisten contact hebben opgenomen met de betrokken officieren van justitie. De zaaksofficier wordt slechts één keer genoemd, namelijk als degene aan wie de verklaring van Teeven is gericht. De naam van Teeven valt herhaaldelijk in het artikel. Op de zitting is namens [eiser] aangevoerd dat de indruk wordt gewekt dat de journalisten Teeven hebben gesproken, omdat in de vetgedrukte inleiding van het artikel staat dat Teeven
“Volgens een informant van Teeven handelt [eiser] in de ontvreemde AIVD-stukken.”) komt niet voor in het proces-verbaal. [eiser] kon dat niet weten zolang hij het artikel wel, maar het proces-verbaal nog niet had gelezen. Bij de zitting heeft [eiser] gezegd dat hij de tekst van het proces-verbaal pas in 2019 heeft gelezen en toen pas zag
“… dat er een discrepantie is tussen de tekst van het proces-verbaal en de tekst in het krantenbericht. Aanbieden is handelen geworden.”. De Telegraaf c.s. voert echter terecht aan dat de inhoud van het proces-verbaal letterlijk is opgenomen in het vonnis in de Oslo-zaak, terwijl [eiser] op de zitting ook heeft verklaard dat hij dat vonnis enkele jaren nadat het was gewezen heeft gelezen. De Telegraaf c.s. heeft daarmee aannemelijk gemaakt, en de rechtbank stelt daarom vast, dat [eiser] in elk geval vóór 2015 met de door hem genoemde discrepantie bekend was.
De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag óf De Telegraaf c.s. door publicatie van het artikel onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld.