De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 oktober 2022 een vordering tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Onderzoeksrechter in Ieper. De opgeëiste persoon werd verdacht van strafbare feiten volgens Belgisch recht, waaronder deelneming aan een criminele organisatie en wederrechtelijke vrijheidsberoving.
De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en bevestigde de Nederlandse nationaliteit. De strafbare feiten vielen onder de lijst van bijlage 1 van de Overleveringswet, waardoor toetsing van dubbele strafbaarheid achterwege kon blijven voor bepaalde feiten. Voor een ander feit, niet op deze lijst, stelde de rechtbank vast dat dit onder Nederlands recht strafbaar is als handelen in strijd met de Wet Wapens en Munitie.
Belangrijke overweging was de garantie dat de opgeëiste persoon, indien veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in België, deze straf in Nederland mag ondergaan. Het Belgische Federaal Parket gaf deze terugkeergarantie schriftelijk af. Daarnaast werden de detentieomstandigheden in België beoordeeld aan de hand van eerdere uitspraken en een brief van de Belgische autoriteiten, waaruit bleek dat er geen reëel gevaar is voor onmenselijke of vernederende behandeling.
De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en de garanties voldoende zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.