AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Tussenuitspraak over toetsing Europees aanhoudingsbevel en toepassing artikel 12 Overleveringswet
De rechtbank Amsterdam behandelde op 28 juli 2022 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 2 jaar en 10 maanden, waarvan nog circa 12 maanden resteren.
De verdediging voerde aan dat de overlevering geweigerd moet worden op grond van artikel 12 vanPro de Overleveringswet (OLW), omdat de opgeëiste persoon niet tijdig en persoonlijk zou zijn opgeroepen voor enkele vonnissen waarop het EAB is gebaseerd. De rechtbank onderzocht de verschillende vonnissen en oordeelde dat voor sommige vonnissen de oproepen wel tijdig en persoonlijk zijn betekend, maar voor andere vonnissen onvoldoende duidelijkheid bestaat over de ontvangst van oproepen en de kennisgeving van de gevolgen van het niet doorgeven van adreswijzigingen.
De rechtbank stelde daarom vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de datum van verzending van oproepen en de kennisgeving aan de opgeëiste persoon. Totdat deze informatie is verkregen, wordt het onderzoek heropend en geschorst. De zaak zal opnieuw op zitting worden gebracht voor het verstrijken van de beslistermijn.
De rechtbank beveelt tevens de oproeping van de opgeëiste persoon en een Poolse tolk tegen nog vast te stellen data en tijdstippen. Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het onderzoek wordt heropend en geschorst voor nadere informatie over de oproeping van de opgeëiste persoon.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/143047-22
RK nummer: 22/3089
Datum uitspraak: 11 augustus 2022
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 OverleveringswetPro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 juni 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 februari 2022 door de Regional Court in Poznań(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats 1] (Polen) op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1.Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 juli 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.A.C. van Tuinen, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een cumulative judgmentvan 8 februari 2017 van de District Court in Nowy Tomyśl(referentie: II K 415/16).
Aan dit verzamelvonnis II K 415/16 liggen 2 vonnissen ten grondslag:
een cumulative judgementvan de District Court in Nowy Tomyśl(Polen) van 16 maart 2016 (referentie: II K 792/18) en
een judgementvan de District Court in Nowy Tomyśl(Polen) van 12 februari 2016 (referentie: II K 576/15).
Aan het verzamelvonnis II K 792/18 liggen 3 vonnissen ten grondslag:
een judgementvan de District Court in Grodzisk Wielkopolski, 7th criminal division branch in Nowy Tomyślvan 23 mei 2013 (referentie: VII K 411/13);
een judgementvan de District Court in Grodzisk Wielkopolski, 7th criminal division branch in Nowy Tomyślvan 3 oktober 2014 (referentie: VII K 402/14) en
een judgementvan de District Court in Nowy Tomyślvan 28 oktober 2015 (referentie: II K 594/15).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar en 10 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 11 maanden en 25 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis II K 415/16.
Dit vonnis II K 415/16 betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat – hoewel de opgeëiste persoon blijkens het EAB voor het vonnis II K 415/16 tijdig en in persoon is gedagvaard – de overlevering moet worden geweigerd, nu ten aanzien van de vonnissen II K 792/18 (a), VII K 411/13 (c), VII K 402/14 (d) en II K 594/15 (e) geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub a tot en met d en de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten daarom niet heeft kunnen uitoefenen. Uit de aanvullende informatie van 11 juli 2022 blijkt weliswaar dat de opgeëiste persoon in persoon zou zijn gedagvaard dan wel dat de oproepen en/of de vonnissen naar het in het vooronderzoek door hem opgegeven adres zijn verstuurd, maar het is niet duidelijk of de opgeëiste persoon deze correspondentie heeft ontvangen en of de oproepen tijdig waren. Bovendien is uit de aanvullende informatie niet gebleken dat de opgeëiste persoon is gewezen op de consequenties van het niet doorgeven van zijn adres in geval van een verhuizing. Subsidiair verzoekt de raadsman om aanhouding, zodat aan de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen kunnen worden gesteld.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLWPro niet aan de overlevering in de weg staat. Voor de vonnissen geldt dat ofwel sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12a OLW, ofwel dat de opgeëiste persoon is gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven. In die gevallen zijn de oproepen naar het door hem opgegeven adres verstuurd, zodat het voor rekening van de opgeëiste persoon komt wanneer hij niet op de hoogte was van een zitting.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat, in het geval van een cumulatief vonnis, zowel de beslissing waarbij onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en hem op grond daarvan een vrijheidsstraf is opgelegd als de beslissing waarbij de duur van die straf is gewijzigd en waarbij de bevoegde autoriteit over een beoordelingsmarge heeft beschikt, moeten worden getoetst aan art. 4 bisPro Kaderbesluit 2002/584/JBZ (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017 in de zaak Zdziaszek, ECLI:EU:C:2017:629). De rechtbank zal de verschillende vonnissen daarom toetsen aan de vereisten van artikel 12 OLWPro.
Ten aanzien van verzamelvonnis II K 792/18
In de aanvullende informatie van 11 juli 2022 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit vermeld dat het verzamelvonnis op 16 maart 2016 in persoon aan de opgeëiste persoon is betekend, en dat hij daarbij in kennis is gesteld over de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub c, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro is ten aanzien van verzamelvonnis II K 792/18 dus niet van toepassing.
Ten aanzien van vonnis II K 576/15
In de aanvullende informatie van 11 juli 2022 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was ter zitting op 12 februari 2016. De weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro is daarom niet van toepassing op het vonnis II K 576/15.
Ten aanzien van vonnis VII K 411/13
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
In de aanvullende informatie van 11 juli 2022 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het volgende vermeld:
The notice of the date of hearing set for 23 may 2013 was mailed to the address provided by [opgeëiste persoon] during pre-trial proceedings in this case; when providing the address for service in the pre-trial proceedings, [opgeëiste persoon] was instructed about the obligation to notify (the authorities) of any change of his address – which he confirmed with his own signature […]
[…] a copy of that judgment, together with the instructions on the right, time limit and manner of filing an appeal was mailed to the address provided during pre-trial proceedings […]
Ten aanzien van vonnis VII K 402/14
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
In de aanvullende informatie van 11 juli 2022 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het volgende vermeld:
The notice of the date of hearing set for 03 october 2014 was mailed to the address provided by [opgeëiste persoon] during pre-trial proceedings in this case; when providing the address for service in the pre-trial proceedings, [opgeëiste persoon] was instructed about the obligation to notify (the authorities) of any change of his address – which he confirmed with his own signature […]
[…] a copy of that judgment, together with the instructions on the right, time limit and manner of filing an appeal was mailed to the address provided during pre-trial proceedings […]
Bij deze vonnissen is het de rechtbank niet duidelijk of de opgeëiste persoon is gewezen op de consequenties wanneer hij niet zou voldoen aan de verplichting om adreswijzingen door te geven. Bovendien is het de rechtbank niet duidelijk wanneer de oproepen aan de opgeëiste persoon zijn verstuurd. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de volgende vragen te (laten) stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
Is de opgeëiste persoon in het vooronderzoek ten aanzien van de vonnissen VII K 411/13 en VII K 402/14 gewezen op de consequenties wanneer hij niet zou voldoen aan de verplichting adreswijzigingen door te geven?
Op welke data zijn de oproepen voor de zittingen die hebben geleid tot de vonnissen VII K 411/13 en VII K 402/14 aan de opgeëiste persoon verstuurd?
Ten aanzien van vonnis II K 594/15
In de aanvullende informatie van 11 juli 2022 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit vermeld:
[opgeëiste persoon] did not appear at the hearing on 28 october 2015. […] [opgeëiste persoon] received a notice of the date of hearing set for 28 october 2015, through the administration of the prison where he was then detained, which he confirmed with his own signature.
Uit de bovenstaande informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen voor de zitting op 28 oktober 2015, maar uit die informatie blijkt niet wanneerde opgeëiste persoon deze oproep heeft ontvangen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub a, OLW, is het van belang dat de opgeëiste persoon de oproep ook tijdigheeft ontvangen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de volgende vraag te (laten) stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
- Op welke datum heeft de opgeëiste persoon de oproep voor de zitting op 28 oktober 2015 ontvangen?
Nu de rechtbank de antwoorden op de hierboven genoemde vragen nodig heeft om de overlevering te kunnen toetsen aan artikel 12 OLWPro, zal zij het onderzoek gelet op het voorgaande heropenen en schorsen ten behoeve van nadere informatie.
4.Beslissing
HEROPENTen SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd –met dien verstande dat de zaak voor het verstrijken van de beslistermijn (te weten: 6 september 2022) opnieuw op zitting moet worden gebracht – om de officier van justitie in gelegenheid te stellen de hiervoor onder 3.1 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman;
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. M.T.C. de Vries en C.M. Delstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 11 augustus 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.