ECLI:NL:RBAMS:2022:7308

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 oktober 2022
Publicatiedatum
7 december 2022
Zaaknummer
13/198422-22
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 180 SrArt. 181 SrArt. 300 SrArt. 311 SrArt. 2 OLW
Verwijzingen
16 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel uit Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 oktober 2022 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de District Court in Wroclaw. De opgeëiste persoon werd verdacht van mishandeling en andere feiten waarvoor een vrijheidsstraf van anderhalf jaar is opgelegd, waarvan nog ruim een jaar rest.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en bevestigde diens Poolse nationaliteit. De verdediging voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd omdat de opgeëiste persoon niet aanwezig zou zijn geweest bij de zitting in Polen en dat de detentieomstandigheden in Polen ontoereikend zouden zijn. Ook werd een beroep gedaan op gelijkstelling met een Nederlander vanwege het verblijf in Nederland sinds 2017.

De rechtbank verwierp het verweer dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de zitting, omdat het EAB en de verklaring van de opgeëiste persoon dit tegenspraken. Het beroep op gelijkstelling met een Nederlander werd afgewezen omdat niet was voldaan aan het vereiste van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf. Het verweer over detentieomstandigheden werd eveneens verworpen op basis van eerdere jurisprudentie en het ontbreken van objectieve gegevens die een reëel gevaar voor onmenselijke behandeling aantonen.

Gelet op het voldoen aan de wettelijke eisen en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/198422-22
RK nummer: 22/3819
Datum uitspraak: 12 oktober 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 augustus 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 oktober 2019 door
the District Court in Wroclaw(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1994,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 september 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
valid judgment of the Regional Court for Wroclaw – Śródmieście in Wroclaw(Polen) van 4 september 2013 (referentie: II K 609/12) en een
valid decision of the Regional Court in Sopot(Polen) van 25 januari 2018 (referentie: II Ko 692/17).
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, vijf maanden en 27 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat in het EAB staat dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de ‘
sentencing hearing’ en onduidelijk is op welke manier hij daarvoor is opgeroepen. De raadsman verzoekt subsidiair om de zaak aan te houden om hierover nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is. Het EAB vermeldt in onderdeel d) dat de opgeëiste persoon aanwezig was tijdens de zitting die tot de beslissing heeft geleid. Dit heeft de opgeëiste persoon tijdens het verhoor op 8 augustus 2022 ook bevestigd.
Oordeel van de rechtbank
Het EAB vermeldt in onderdeel d) dat de opgeëiste persoon aanwezig was tijdens de zitting die tot de beslissing heeft geleid. De rechtbank stelt daarmee vast dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro is dus niet van toepassing. Dat de opgeëiste persoon stelt niet aanwezig te zijn geweest bij de ‘
sentencing hearing’ doet aan het voorgaande niets af.

5.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft
mishandeling
diefstal door twee of meer verenigde personen
wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan ingevolge artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. De opgeëiste persoon verblijft sinds november 2017 in Nederland. Hierdoor voldoet hij weliswaar niet aan de minimumeis van vijf jaar, maar hij zou – gelet op het minimale verschil – desalniettemin gelijk moeten worden gesteld met een Nederlander.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu er geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon rechtmatig in Nederland heeft verbleven, hij niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de opgeëiste persoon op dit moment niet in aanmerking komt voor gelijkstelling omdat hij niet voldoet aan het eerste vereiste van een ononderbroken rechtmatig verblijf van ten minste vijf jaren in Nederland. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op gelijkstelling met een Nederlander.

7.Detentieomstandigheden

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 11 OLW Pro, omdat de detentieomstandigheden in Polen niet op orde zijn.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen algemeen reëel gevaar voor mensenrechtenschendingen bestaat in Poolse detentie-instellingen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank hanteert bij de toetsing van het verweer ten aanzien van de detentieomstandigheden het kader, zoals dat is gegeven door het Hof in het arrest van 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru). De rechtbank heeft eerder naar aanleiding van overleveringsverzoeken uit Polen de detentieomstandigheden aldaar beoordeeld, waarbij, onder meer in haar uitspraak van 22 oktober 2018 is vastgesteld dat uit de beschikbare gegevens over de algemene detentieomstandigheden in Polen niet blijkt van een reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest. Er zijn geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over detentieomstandigheden in Polen door de raadsman naar voren gebracht – of bij de rechtbank ambtshalve bekend – die duiden op een algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de detentieomstandigheden geen beletsel vormen voor het toestaan van de overlevering. Het verweer wordt verworpen.

8.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 180, 181, 300 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court in Wroclaw(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E.G.M.M. van Gessel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 12 oktober 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.