Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2022:7347

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 november 2022
Publicatiedatum
7 december 2022
Zaaknummer
13/242249-22 (EAB II)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks niet-verschijnen verdachte

De Rechtbank Amsterdam heeft op 29 november 2022 uitspraak gedaan over de overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de District Court in Piotrków Trybunalski. De verdachte wordt verdacht van diefstal en moet nog vrijheidsstraffen ondergaan die in Polen zijn opgelegd.

Hoewel de verdachte niet persoonlijk bij de Poolse zittingen is verschenen, oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van schending van verdedigingsrechten. De verdachte was op de hoogte van de procedure en zijn verplichtingen omtrent adreswijzigingen, en oproepen zijn verzonden naar het opgegeven adres. De rechtbank ziet daarom geen reden om de overlevering te weigeren op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW).

De rechtbank constateert dat de feiten waarvoor overlevering wordt gevraagd ook in Nederland strafbaar zijn en dat er geen sprake is van een individueel reëel gevaar op schending van het recht op een eerlijk proces. Gezien het voldoen aan alle wettelijke vereisten en het ontbreken van weigeringsgronden, wordt de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks het niet persoonlijk verschijnen bij de Poolse zitting.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/242249-22 (EAB II)
RK nummer: 22/4301
Datum uitspraak: 29 november 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 september 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 juli 2021 door
the Regional Court in Piotrków Trybunalski(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëist persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 15 november 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van twee vonnissen van:
I.
the District Court in Piotrków Trybunalski(Polen) van 19 februari 2020 (referentienummer: II K 765/19), waarbij een straf is opgelegd van twee jaar en acht maanden. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, twee maanden en 29 dagen;
II.
the District Court in Piotrków Trybunalski(Polen) van 26 januari 2021 (referentienummer: II K 188/20) waarbij een straf is opgelegd van acht maanden, die nog geheel moet worden ondergaan.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de hiervoor vermelde vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Vonnis met referentienummer II K 765/19
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aanleiding bestaat om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro. Er is geen sprake van schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon, omdat uit het EAB en de aanvullende informatie van 10 november 2022 blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht alsmede van de omstandigheid dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep en hij eventuele adreswijzigingen op moest geven. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de overlevering toe te staan.
Oordeel van de rechtbank
In het EAB staat in onderdeel d) vermeld dat de opgeëiste persoon niet in persoon op de zitting is verschenen. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Evenmin is een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij vindt daarbij het volgende van belang.
In de aanvullende informatie van 10 november 2022 is aangegeven dat de opgeëiste persoon op 18 oktober 2019 tijdens zijn verhoor in het vooronderzoek van de zaak met referentienummer II K 765/19 zijn adres heeft opgegeven. De opgeëiste persoon is hierbij geïnformeerd over zijn rechten. Ook is hij gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en zijn verblijfadres als hij langer dan 7 dagen op een ander adres verblijft. Verder is de opgeëiste persoon gewezen op de gevolgen van het niet-naleven van deze verplichting. De oproep voor de zitting is vervolgens verzonden naar het adres dat de opgeëiste persoon heeft opgegeven. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt, omdat hij, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 OLW Pro staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Vonnis met referentienummer II K 188/20
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon niet zijn geschonden, omdat uit de aanvullende informatie van 10 november 2022 blijkt dat de opgeëiste persoon is opgeroepen op het adres dat hij tijdens het vooronderzoek heeft opgegeven. Op grond van het vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan van de juistheid van de verstrekte informatie door de Poolse autoriteiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verwoord dat er aanleiding is om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro. Er is geen sprake van schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon, omdat uit het EAB en de aanvullende informatie van 10 november 2022 blijkt dat de opgeëiste persoon ook ten aanzien van dit vonnis op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht alsmede van de omstandigheid dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep en hij eventuele adreswijzigingen op moest geven. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de overlevering toe te staan.
Oordeel van de rechtbank
In het EAB staat in onderdeel d) vermeld dat de opgeëiste persoon niet in persoon op de zitting is verschenen. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Evenmin is een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 10 november 2022 blijkt dat de opgeëiste persoon op 26 februari 2020 tijdens zijn verhoor in het vooronderzoek van de zaak met referentienummer II K 188/20 zijn adres heeft opgegeven. De opgeëiste persoon is hierbij geïnformeerd over zijn rechten en is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en zijn verblijfadres als hij langer dan 7 dagen op een ander adres verblijft. Ook is de opgeëiste persoon gewezen op de gevolgen van het niet-naleven van deze verplichting. De oproep voor deze zitting is verzonden naar het adres dat de opgeëiste persoon heeft opgegeven. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt, omdat hij, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 OLW Pro staat daarom niet aan overlevering in de weg.

4.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan is aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal
diefstal door twee of meer verenigde personen
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel

5.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [1]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [2]

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëist persoon]aan
the Regional Court in Piotrków Trybunalski(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en R. Godthelp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 29 november 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
2.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (