ECLI:NL:RBAMS:2022:7491

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 oktober 2022
Publicatiedatum
13 december 2022
Zaaknummer
13/199759-22
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLW
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederlandse verdachte aan België ondanks facultatieve weigeringsgrond

De rechtbank Amsterdam behandelde op 11 oktober 2022 de vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het hof van beroep Antwerpen. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 maanden, waarvan nog 810 dagen resteren.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de verdachte en bevestigde dat deze de Nederlandse nationaliteit bezit. De verdediging voerde geen beroep op de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6a Overleveringswet (OLW), omdat de verdachte de voorkeur gaf aan overlevering aan België, waar zijn familie woont en hij zich wil inschrijven na het uitzitten van zijn straf.

De officier van justitie stelde dat de overlevering geweigerd moest worden en de straf in Nederland uitgevoerd, maar de rechtbank oordeelde dat de overlevering de hoofdregel is en dat de facultatieve weigeringsgrond slechts uitzondering mag zijn. Gezien de wens van de verdachte en zijn binding met België achtte de rechtbank overlevering passend.

Verder werd vastgesteld dat de detentieomstandigheden in België voldoen aan de normen van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering (CPT) en dat er geen reëel gevaar bestaat op onmenselijke of vernederende behandeling. De rechtbank concludeerde dat aan alle wettelijke eisen is voldaan en stond de overlevering toe.

Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de Nederlandse verdachte aan België toe ondanks de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6a OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/199759-22
RK nummer: 22/3834
Datum uitspraak: 25 oktober 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 augustus 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 juni 2022 door de Advocaat-generaal bij het hof van beroep Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[naam opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1956,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 oktober 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door mr. J.W. Heemskerk, advocaat te Roermond.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Referte

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest van het hof van beroep Antwerpen van
2 maart 2022, referentie: 2019/PGA/4650 en griffienummer 296/2022.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zeventwintig maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog
810 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
4.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het arrest van 2 maart 2022 heeft geleid, maar dat een door hem gekozen advocaat namens hem zijn verdediging heeft gevoerd. Bij de voorgeleiding heeft de opgeëiste persoon bevestigd dat hij zijn advocaat had gemachtigd om op het proces zijn verdediging te voeren. Naar het oordeel van de rechtbank is de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro daarom niet aan de orde omdat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12 onder Pro b, OLW zich voordoet.

5.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
  • telkens: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
  • telkens: diefstal.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De raadsman heeft expliciet geen beroep gedaan op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW, omdat de opgeëiste persoon er de voorkeur aan geeft om te worden overgeleverd aan België. Zijn schoondochter en kleinkinderen wonen in België, zijn zoon ligt daar begraven en de opgeëiste persoon wil zich in België inschrijven na het uitzitten van zijn straf.
De officier van justitie is van mening dat de overlevering op grond van artikel 6a OLW moet worden geweigerd met een bevel tot tenuitvoerlegging van de straf in Nederland. De opgeëiste persoon bezit de Nederlandse nationaliteit en de straf kan in Nederland worden uitgevoerd. In het kader van de resocialisatie is het van belang dat de opgeëiste persoon zijn straf in Nederland uitzit.
De rechtbank overweegt als volgt. De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 6a OLW
kande overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang
De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is, zodat toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering dient te zijn. Artikel 6a OLW betreft een dergelijke facultatieve weigeringsgrond. De overlevering ziet op een straf die in België is opgelegd en die - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - in beginsel in België ten uitvoer dient te worden gelegd. De opgeëiste persoon heeft daarnaast uitdrukkelijk de wens geuit zijn straf in België uit te zitten en heeft bovendien binding met België. De rechtbank is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW niet in de weg staat aan overlevering aan België.

7.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden in België

Bij uitspraak van 22 juni 2021 [1] heeft de rechtbank geoordeeld dat in België een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die terecht komen in een instelling waar sprake is van grondslapers waardoor de minimale persoonlijke ruimte van 3 m2 in een meerpersoonscel niet meer is gewaarborgd, alsmede waar sprake is van niet-afgeschermde toiletten in meerpersoonscellen. De detentie-instellingen waarvan hier sprake is, zijn: Antwerpen, Gent, Brugge, Oudenaarde, Hasselt, Dendermonde en Mechelen.
De
General Counsellorbij het
Directorate General Legislation, Fundamental Rights and Freedomsheeft bij brief van 9 september 2021, de volgende algemene garantie gegeven:
“Als algemene regel, kunnen in België de volgende algemene waarborgen gegeven worden bij een overlevering in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel:
- De overgeleverde persoon zal in een cel worden opgesloten waarvan de oppervlakte en de inrichting beantwoordt aan de normen van het CPT van de Europese Raad (minimum 3m2). Dit zowel wanneer hij alleen verblijft in een cel als wanneer hij een daarvoor aangepaste en grotere cel deelt met een andere persoon.
- De sanitaire blokken, doorgaans voorzien van een wasbak en toilet, zijn afgescheiden van de rest van de cel door een muur of door een scherm. Soms is er ook een douche voorzien. In dat geval is het sanitair complex afgescheiden van de rest van de cel.”
Eerder in deze brief wordt ten aanzien van gevangenissen waar gedetineerden op een extra matras slapen, ofwel waar de ‘grondslapers-problematiek’ zich voordoet, over de celruimte en de sanitaire blokken de volgende opmerking gemaakt:
“Bovendien garanderen wij dat in de gevangenissen waarin dit fenomeen zich voordoet, er zal op toegezien worden dat de overgeleverden niet zullen worden opgesloten in een dergelijke afdeling zodat de overgeleverde personen ten minste over 3m2 personal space beschikken exclusief de sanitaire blokken.”
In de uitspraak van 7 oktober 2021 [2] heeft de rechtbank overwogen dat de hiervoor genoemde brief van de Belgische autoriteiten van 9 september 2021 in elke overleveringszaak geldig is, zoals de Belgische autoriteiten in bedoelde brief hebben bevestigd, en dat het om die reden niet noodzakelijk is dat voor elke individuele opgeëiste persoon een detentiegarantie wordt opgevraagd.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de hiervoor genoemde garantie. [3] De rechtbank is, gelet op deze toezeggingen van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling. De detentieomstandigheden staan niet aan overlevering in de weg.

8.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310 van het Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 6a en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[naam opgeëiste persoon]aan de Advocaat-generaal bij het hof van beroep Antwerpen (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs J.A.A.G. de Vries en A.K. Glerum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 25 oktober 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

3.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak