Eisers zijn gezamenlijk eigenaar van een vrijstaande woning in Amsterdam en betwisten de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarden voor 2015 (€1.879.000) en 2016 (€1.961.000). De heffingsambtenaar baseerde de waarden op een transactieprijs uit 2014, gecorrigeerd voor erfpacht- en waardeontwikkeling. Eisers voerden aan dat deze correcties onjuist zijn en dat de WOZ-waarden te hoog zijn vastgesteld.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarden aannemelijk heeft gemaakt. De gebruikte methode voor erfpachtcorrectie is door de Hoge Raad getoetst en toepasbaar voor de jaren 2015 en 2016. De gelijke hoogte van de erfpachtcorrectie en de afkoopsom voor eeuwigdurende erfpacht leidt niet tot het oordeel dat de correctie onjuist is. De waardeontwikkeling is gebaseerd op verkoopcijfers in de buurt en niet op WOZ-waarden van andere woningen, wat correct is.
Eisers betoogden dat de WOZ-waarde van hun woning onterecht hoger is dan vergelijkbare woningen in de buurt en deden een beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank stelt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de meerderheidsregel is geschonden omdat de woningen niet nagenoeg identiek zijn. Wel is een motiveringsgebrek geconstateerd in de uitspraken op bezwaar, maar dit leidt niet tot benadeling van eisers omdat zij dit in beroep konden aanvoeren.
De beroepen worden ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar wordt opgedragen het betaalde griffierecht van €100 te vergoeden. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter D. Sullivan op 14 december 2022.